Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #4319

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

4319. Door veel ondervinding werd het getoond dat zowel de mens als de geest, maar ook de engel, niets vanuit zichzelf denkt, spreekt en doet, maar uit anderen en ook deze anderen niet uit zich, maar opnieuw weer uit anderen enzovoort en dus allen en ieder afzonderlijk uit de Eerste van het leven; dat wil zeggen, de Heer, hoezeer het ook geheel en al verschijnt zoals uit henzelf. Dit werd meermalen getoond aan geesten die in het leven van het lichaam hadden geloofd en zich daarin hadden bevestigd dat in henzelf alle dingen waren, of dat zij vanuit zich en vanuit hun ziel, waarin het leven schijnt geënt, denken, spreken en doen. Het werd hun ook door levende ondervindingen getoond dat de bozen, denken, willen en handelen vanuit de hel en de goede vanuit de hemel, dat wil zeggen, door de hemel uit de Heer; maar dat niettemin de boze dingen en eveneens de goede dingen verschijnen als uit henzelf. Dit weten de christenen vanuit de leerstellingen die vanuit het Woord zijn, namelijk dat de boze dingen vanuit de duivel zijn en de goede dingen vanuit de Heer, maar het zijn er weinigen die dit geloven; en omdat zij het niet geloven, eigenen zij zich de boze dingen toe die zij denken, willen en doen, maar de goede dingen worden hun niet toegeëigend, want degenen die geloven dat de goede dingen uit henzelf zijn, eisen deze voor zich op en schrijven die aan zichzelf toe en stellen op die wijze daarin verdienste; zij weten ook uit de leerstellingen van de Kerk, dat niemand enig goede kan doen uit zich en wel dermate dat al wat uit zich en uit zijn eigene is, het boze is, hoezeer het ook als het goede verschijnt; maar ook dit geloven weinigen, hoewel het waar is. De bozen die zich in die mening hadden bevestigd dat zij vanuit zichzelf leven en dat dus al wat zij denken, willen en doen vanuit henzelf is, zeiden toen het hun werd getoond dat het hiermee geheel en al overeenkomstig het leerstellige is gesteld en dat zij het nu geloofden. Maar het werd hun gezegd dat weten niet is geloven en dat geloven innerlijk is en dat dit alleen bestaat in de aandoening van het goede en ware, dus bij geen anderen dan bij hen die in het goede van de naastenliefde jegens de naaste zijn. Deze zelfde geesten hielden, omdat zij boos waren, vol dat zij nu geloofden omdat zij gezien hadden. Maar het werd onderzocht door een proefneming die in het andere leven gebruikelijk is en die daarin bestaat dat engelen een blik in hen slaan; toen dit gebeurde, scheen het bovendeel van hun hoofd weggenomen en de hersenen borstelig van haar en duister. Hieruit bleek hoedanig van binnen diegenen zijn die slechts een wetenschappelijk geloof en niet het ware geloof hebben en dat ‘weten’ niet is ‘geloven’; want bij hen die weten en geloven, verschijnt het hoofd als een menselijk hoofd en de hersenen geordend, sneeuwwit en lichtend, want het hemelse licht wordt door hen opgenomen; maar bij hen die slechts weten en menen dat zij vandaar geloven maar evenwel niet geloven, omdat zij leven in het boze, wordt het hemelse licht niet opgenomen en dus niet het inzicht en de wijsheid die in dat licht gelegen zijn; daarom wordt, wanneer zij de gezelschappen van de engelen, dat wil zeggen het hemelse licht, naderen, dit licht voor hen verkeerd in duisternissen; vandaar komt het dat hun hersenen duister verschenen.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl