Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #4180

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

      |   
/ 10837  
  

4180. Indien niet de God van mijn vader, de God van Abraham en de Schrik van Izaäk met mij geweest was; dat dit betekent indien er niet het Goddelijke en het Goddelijk Menselijke geweest was, staat vast uit de betekenis van de God des vaders, wanneer daarvan wordt gesproken met betrekking tot de Heer, namelijk het Goddelijke ten aanzien van het goede; dat de Vader het Goddelijk Goede is en de Zoon het Goddelijk Ware, zie de nrs. 2803, 3704; hier het Goddelijk Goede van het ene en het andere Wezen; uit de betekenis van de God van Abraham, namelijk het Goddelijke Zelf dat het Goddelijk Wezen wordt genoemd; dat Abraham de Heer uitbeeldt ten aanzien van het Goddelijke Zelf, nrs. 2011, 3439;

en uit de betekenis van de Schrik van Izaäk, namelijk het Goddelijk Menselijke; gezegd wordt ‘schrik’, omdat het het Goddelijk ware is dat bedoeld wordt, want het Goddelijk Ware brengt bij hen die niet in het goede zijn: vrees, schrik en ontsteltenis met zich mee, niet echter het Goddelijk Goede; dit verschrikt niemand; evenzo in het vervolg van dit hoofdstuk:

‘Jakob zwoer bij de Schrik van zijn vader Izaäk’, vers 53. Want omdat Laban, toen hij van Jakob gescheiden was, dat wil zeggen, het goede als middel gescheiden van het Goddelijk Goede, was hij in zo’n staat dat hij het boze wilde aandoen, zoals blijkt wat van Laban gezegd wordt; omdat hij toen zodanig was, wordt er daarom gezegd ‘de Schrik van Izaäk’; dat ‘de Schrik van Izaäk’ de God van Izaäk betekent, kan voor eenieder duidelijk zijn en ook dat het in die staat was. Dat Izaäk het Goddelijk Menselijke van de Heer uitbeeldt en wel ten aanzien van het Goddelijk Redelijke zie de nrs. 1893, 2066, 2072, 2083, 2630, 3012, 3194, 3210, 3973. Daarmee, dat het Goddelijk Ware, dat uit de Heer is, schrik met zich meebrengt bij degenen die niet in het goede zijn, niet echter het Goddelijk Goede, is het als volgt gesteld: het heilige dat uit de Heer is, heeft in zich het Goddelijk Goede en het Goddelijk Ware; deze gaan aanhoudend uit de Heer voort; vandaar het licht dat in de hemelen is en vandaar het licht dat in de menselijke gemoederen is en vandaar met als gevolg de wijsheid en het inzicht, want deze liggen in dat licht; maar dit licht of de wijsheid en het inzicht, doet allen aan overeenkomstig de opneming; diegenen die in het boze zijn, nemen het Goddelijk Goede niet op, want zij zijn in geen liefde en naastenliefde; want al het goede is van de liefde en van de naastenliefde; maar het Goddelijk ware kan wel opgenomen worden, ook door de bozen, maar slechts door hun uiterlijke mens, niet door hun innerlijke mens. Het is hiermee gesteld als met de warmte en het licht welke uit de zon zijn; de geestelijke warmte is de liefde, dus het goede; het geestelijk licht is het geloof, dus het ware; wanneer de warmte uit de zon wordt opgenomen, gedijen de bomen en de bloemen, en brengen dan bladeren, bloesems en vruchten of zaden voort; dit vindt plaats in de lente- en zomertijd; maar wanneer de warmte uit de zon niet wordt opgenomen, maar alleen het licht, dan gedijt er niets, maar alle plantengroei begint te verstarren, zoals gebeurt in de herfst en de winter; zo is het ook gesteld met de geestelijke warmte en het geestelijk licht, welke uit de Heer zijn; indien de mens is zoals de lente en de zomer, dan neemt hij het goede dat van de liefde en de naastenliefde is, op en brengt vruchten voort; maar indien de mens is zoals de herfst en de winter, dan neemt hij het goede van de liefde en van de naastenliefde niet op, dus dan brengt hij geen vruchten voort, niettemin kan hij het licht opnemen, dat wil zeggen, die dingen weten die van het geloof of van het ware zijn; het winterlicht doet iets dergelijks, want het vertoont op eendere wijze de kleuren en de schoonheden en maakt die zichtbaar, maar met dit verschil dat het niet naar de innerlijke dingen doordringt, omdat daar niet de warmte is, vandaar geen groei. Wanneer daarom het goede niet wordt opgenomen, maar alleen het licht, dan is het evenals wanneer in de objecten niet de warmte wordt opgenomen, maar alleen het beeld en de schoonheid van de vorm uit het licht; vandaar is van binnen de koude en waar van binnen de koude is, daar is een verstarring van alle dingen en als het ware een samenkrimpen en een huiveren wanneer het licht daarin valt; dit is het wat in de levende wezens de vrees, de schrik en de ontsteltenis teweegbrengt. Door deze vergelijking kan men enigszins begrijpen hoe het gesteld is met de vrees, de schrik en de ontsteltenis bij de bozen, namelijk dat deze niet zijn uit het Goddelijk Goede maar uit het Goddelijk Ware en dat zij er dan zijn wanneer men het Goddelijk Goede niet opneemt, maar toch het Goddelijk Ware opneemt; verder dat het Goddelijk Ware zonder het Goede niet kan doordringen tot de innerlijke dingen, maar slechts in de uiterste dingen blijft hangen, dat wil zeggen, in de uiterlijke mens en meestal in het zinlijke van hem; en dat vandaar de mens in de uiterlijke vorm als schoon verschijnt, terwijl hij in de innerlijke vorm afgrijselijk is. Daaruit kan ook vaststaan hoedanig het geloof bij zeer velen is, van welk geloof zij zeggen dat het zaligt zonder de goede werken, dat wil zeggen, zonder goed willen en goed doen. Omdat het Goddelijk Ware uit het Goddelijk Menselijke voortgaat, maar niet uit het Goddelijke Zelf, zo is het daarom het Goddelijk Menselijke dat hier wordt aangeduid door ‘de Schrik van Izaäk’, want het is, zoals gezegd, het Goddelijk Ware dat verschrikt en niet het Goddelijk Goede. Dat het Goddelijk Ware uit het Goddelijk Menselijke van de Heer voortgaat, maar niet uit het Goddelijke Zelf, is een tot dusver nog niet onthulde verborgenheid; hiermee is het als volgt gesteld: voordat de Heer in de wereld kwam, vloeide het Goddelijke Zelf in de gehele hemel in en omdat de hemel toen voor het grootste deel uit hemelsen bestond, dat wil zeggen uit diegenen die in het goede van de liefde waren, werd door die invloeiing, vanuit de Goddelijke Almacht, het licht voortgebracht dat in de hemelen is en daaruit de wijsheid en het inzicht; maar nadat het menselijk geslacht zich had verwijderd van het goede van de liefde en van de naastenliefde, kon dat licht niet langer door de hemel voortgebracht worden en dus ook niet de wijsheid en het inzicht, dat moest doordringen tot aan het menselijk geslacht; en daarom kwam de Heer, uit noodzaak opdat het gezaligd zou worden, in de wereld en maakte Hij het Menselijke in Zich Goddelijk, opdat Hijzelf ten aanzien van het Goddelijk Menselijke het Goddelijk Licht zou worden en zo dus de gehele hemel en de gehele wereld zou verlichten. Hij was het Licht zelf uit het eeuwige geweest; want dat Licht was uit het Goddelijke Zelf door de hemel en het was het Goddelijke Zelf dat het Menselijke opnam en dit Goddelijk maakte; en toen dit Goddelijk was gemaakt, kon Hij uit dit, niet slechts de hemelse hemel zelf verlichten, maar ook de geestelijke hemel en eveneens het menselijk geslacht, dat het Goddelijk Ware opnam en opneemt in het goede, dat wil zeggen, in de liefde tot Hem en in de naastenliefde jegens de naaste, zoals blijkt bij Johannes:

‘Zo velen Hem opgenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven, zonen Gods te zijn, die, die in Zijn naam geloven; die niet uit de bloeden, noch uit de wil des vleezes, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn’, (Johannes 1:12, 13). Uit wat nu gezegd is, kan vaststaan wat door het volgende bij Johannes wordt aangeduid:

‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en God was het Woord; dit was in den beginne bij God; alle dingen zijn door hetzelve gemaakt en zonder hetzelve is niets gemaakt dat gemaakt is. In hetzelve was het leven en het leven was het licht der mensen; het was het ware licht, dat verlicht eenieder mens komende in de wereld’, (Johannes 1:1-4, 9) en vervolg. Het Woord betekent daar het Goddelijk Ware; dat echter de Heer ten aanzien van het ene en het andere Wezen het Goddelijk Goede is, maar dat uit Hem het Goddelijk Ware voortgaat, zie nr. 3704; want het Goddelijk Goede kan niet door de mens worden opgenomen, zelfs niet door de engel, maar alleen door het Goddelijk Menselijke van de Heer en dit wordt verstaan onder deze woorden bij Johannes:

‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem verklaard’, (Johannes 1:8);

maar het Goddelijk Ware kan opgenomen worden, maar zodanig als het bij de mens die het opneemt, mogelijk is; en in dit ware kan het Goddelijk Goede wonen, met een verschil overeenkomstig de opneming. Van dien aard zijn de verborgenheden die zich aan de engelen voordoen wanneer door de mens deze woorden gelezen worden:

‘Indien niet de God van mijn vader, de God van Abraham en de Schrik van Izaäk, met mij geweest was’. Hieruit blijkt hoeveel hemels er is in het Woord en in de afzonderlijke dingen van ervan, hoewel niets ervan in de letterlijke zin verschijnt; en daaruit blijkt eveneens hoedanig de wijsheid van de engelen is in vergelijking tot de menselijke wijsheid; en dat de engelen in de diepste verborgenheden zijn, terwijl de mens zelfs niet eens weet dat er een verborgenheid in gelegen is. Maar wat hier wordt vermeld, is slechts heel weinig, want in deze verborgenheid zien en doorvatten de engelen ontelbare, ja zelfs in dat opzicht eindeloze dingen, die nooit uitgesproken kunnen worden, omdat de menselijke spraak niet toereikend is om die uit te drukken, noch het menselijk gemoed bij machte is om ze op te nemen.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl