Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #3218

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

3218. Wanneer de engelen in de aandoeningen zijn en tevens daarover in gesprek, vallen dergelijke dingen in de lagere sfeer bij de geesten in diersoorten van uitbeeldende aard. Wanneer er sprake is van goede aandoeningen, vertonen zich schone, zachtaardige en nuttige dieren, zoals die in de uitbeeldende Goddelijke eredienst in de Joodse Kerk bij de offeranden gebruikgemaakt werden, zoals: lammeren, schapen, bokjes, geiten, rammen, bokken, kalveren, stieren, ossen; en al wat dan op het dier verschijnt, beeldt de een of andere eigenschap van hun gedachte uit, die aan de rechtschapen geesten ook gegeven wordt waar te nemen. Hieruit kan blijken wat er werd aangeduid door de dieren in de riten van de Joodse Kerk en wat door deze dieren, waar zij in het Woord vermeld staan, namelijk de aandoeningen, zie de nrs. 1823, 2179, 2180. Het gesprek van de engelen over boze aandoeningen wordt echter uitgebeeld door afschuwelijke, wrede en onnuttige dieren, zoals: tijgers, beren, wolven, schorpioenen, slangen, muizen en dergelijke, zoals deze aandoeningen ook in het Woord daarmee worden aangeduid.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl