Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #2088

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

2088. Dat de woorden ‘zie, Ik zal hem zegenen, en hem vruchtbaar maken en hem zeer, zeer doen vermenigvuldigen’ betekenen, dat zij zullen worden toegerust en begiftigd met goedheden van het geloof en de daaruit voortkomende waarheden tot in het onmetelijke, blijkt uit de betekenis van gezegend worden, vruchtbaar gemaakt worden en vermenigvuldigd worden. Gezegend worden betekent begiftigd worden met alle goedheden, zoals in het eerste deel is aangetoond, nrs. 981, 1096, 1420, 1422. Vruchtbaar gemaakt worden, betekent de goedheden van het geloof, waarmee zij begiftigd worden; en vermenigvuldigd worden de daaruit voortkomende waarheden, zoals eveneens in het eerste deel is aangetoond in de nrs. 43, 55, 913, 983. Het zou te ver voeren, hier te beschrijven wie de hemelse en wie de geestelijke mensen zijn; zij werden eerder beschreven, hetgeen men kan nazien in de nrs. 81, 597, 607, 765, 2069, 2078 en herhaalde malen elders. In het algemeen genomen zijn de hemels emensen degenen die liefde tot de Heer hebben en geestelijke mensen zij, die liefde jegens de naaste hebben. Welk onderscheid er is tussen de liefde tot de Heer hebben en liefde jegens de naaste, zie nr. 2023. Hemelse mensen zijn zij, die in de neiging tot het goede vanuit het goede zijn, en geestelijke mensen zijn zij, die in de neiging tot het goede vanuit het ware zijn. Oorspronkelijk waren allen hemels, daar zij in de liefde tot de Heer waren; vandaar hadden zij innerlijke ontvangen, waardoor zij het goede niet uit het ware, maar uit de neiging tot het goede gewaar werden. Toen echter later de liefde tot de Heer niet meer van dien aard was, volgden de geestelijk mensen. Geestelijk werden die mensen toen genoemd, wanneer zij in de liefde jegens de naaste of in de naastenliefde waren; maar de liefde jegens de naaste of de naastenliefde werd door het ware ingeplant, en zo ontvingen zij dus een geweten waarnaar zij handelden, niet vanuit de neiging tot het goede, maar vanuit een neiging tot het ware. De naastenliefde bij hen verschijnt als een neiging tot het goede, maar is een neiging tot het ware; toch wordt de naastenliefde naar de schijn ook het goede genoemd, maar het is het goede van hun geloof. Het zijn deze mensen die door de Heer bedoeld worden bij Johannes:

‘Ik ben de deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden; Ik ben de goede herder en Ik ken de Mijnen, e wordt van de Mijnen erkend; en Ik heb andere schapen die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden één kudde en één herder’, (Johannes 10:9, 14, 16).

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl