Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #1502

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

      |   
/ 10837  
  

1502. Hieruit blijkt nu duidelijk, dat de vreemdelingschap van Abram in Egypte niets anders uitbeeldt en betekent dan de Heer, en wel Zijn onderricht in de knapenjaren. Dit wordt ook bevestigd door deze woorden bij Hosea:

‘Ik heb Mijn Zoon in Egypte geroepen’, (Hosea 11:1; Mattheüs 2:15);

en verder nog door hetgeen gezegd wordt bij Mozes:

‘De woning, die de zonen van Israël in Egypte gewoond hebben, was dertig jaren en vierhonderd jaren; en het geschiedde ten einde van de dertig en vierhonderd jaren, en het geschiedde even op dezelfde dag, dat al de heiren van Jehovah uit het land Egypte gegaan zijn’, (Exodus 12:40, 41);

welke jaren niet aanvingen met de intocht van Jakob in Egypte, maar met het vreemdelingschap van Abram in Egypte; van dat tijdstip af waren het 430 jaren. Aldus wordt door de Zoon uit Egypte hier bij, (Hosea 11:1) in de innerlijke zin de Heer aangeduid, en het wordt verder nog daardoor bevestigd, dat door Egypte in het Woord niets anders wordt aangeduid dan de wetenschap, zoals in de nrs. 1164, 1165, 1462 is aangetoond. En dat hier geheimenissen verborgen liggen, kan ook hieruit blijken, dat iets dergelijks van Abram wordt gezegd tijdens zijn vreemdelingschap in Filistea, namelijk dat hij zijn vrouw voor zijn zuster uitgaf, (Genesis 20:1) tot het einde, en iets dergelijks van Izaäk tijdens zijn vreemdelingschap in Filistea, dat hij zijn vrouw voor zijn zuster uitgaf, (Genesis 26:6-13), hetgeen nooit in het Woord vermeld zou zijn, en met vermelding van bijna dezelfde omstandigheden, wanneer niet deze geheimenissen daarin verborgen lagen; afgezien daarvan, dat dit het Woord van de Heer is, hetwelk nooit enig leven kan hebben, wanneer daarin niet een innerlijke zin is, welke op Hem betrekking heeft. De verborgenheden, welke in deze plaatsen, alsook in andere omtrent Abram en Izaäk in Filistea, verscholen liggen, betreffen de wijze waarop het Menselijk Wezen van de Heer met Zijn Goddelijk Wezen verbonden werd, of, wat hetzelfde is, de wijze waarop de Heer ook naar Zijn Menselijk Wezen Jehovah werd, en de wijze waarop Hij van de knapenjaren af daartoe werd ingewijd, over welke inwijding hier gehandeld wordt. Bovendien bevatten deze dingen meer verborgenheden, dan de mens ooit zou kunnen geloven; datgene echter, wat onthuld kan worden, is zo weinig, dat het nauwelijks iets is; behalve de diepste verborgenheden over de Heer, bevatten zij ook verborgenheden omtrent de onderwijzing en de wedergeboorte van de mens, opdat hij hemels wordt; voorts ook omtrent de onderwijzing en de wedergeboorte van de mens, opdat hij geestelijk wordt; en niet alleen over de onderwijzing en de wedergeboorte van de mens in het bijzonder, maar ook ten aanzien van die van de Kerk in het algemeen. Voorts bevatten zij verborgenheden betreffende de onderwijzing van de kinderen in de hemel; in een woord, betreffende de onderwijzing van allen, die beelden en gelijkenissen van de Heer worden. Deze dingen vertonen zich geenszins in de letterlijke zin, omdat de historische vermeldingen omhullen en verduisteren, maar zij openbaren zich in de innerlijke zin. Vervolg over de innerlijke gewaarwordingen; en over de sferen in het andere leven.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl