Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #1382

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

      |   
/ 10837  
  

1382. De mensen kunnen wel niet anders dan het Goddelijk Oneindige met het oneindige van ruimte verwarren, en omdat zij het oneindige van ruimte niet anders opvatten dan als een niets, wat het ook inderdaad is, geloven zij evenmin aan het Goddelijk Oneindige. Op dezelfde wijze is het gesteld met het Eeuwige, dat de mensen alleen maar kunnen opvatten als het eeuwige van tijd, maar het doet zich eigenlijk slechts door de tijd voor bij hen, die in de tijd zijn. Het eigenlijke begrip van het Goddelijk Oneindige dringt bij de engelen in, hierdoor, dat zij ogenblikkelijk onder het oog van de Heer aanwezig zijn, ook al waren zij aan het uiteinde van het heelal, zonder enige tussenkomst van tijd of ruimte; en het eigenlijke begrip van het Goddelijk Eeuwige hierdoor, dat duizenden van jaren aan hen niet als tijd verschijnen, maar nauwelijks anders, dan of zij een minuut geleefd hadden, en beide voorstellingen vloeien hieruit voort, dat zij in hun heden tegelijkertijd het verleden en de toekomst hebben; vandaar hebben zij geen zorg voor de toekomst, en nooit enige voorstelling van de dood, maar alleen de voorstelling van het leven; aldus is in geheel hun heden het Eeuwige en het Oneindige van de Heer. Einde elfde hoofdstuk -----

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl