Hemelse Verborgenheden in Genesis #24

Hemelse Verborgenheden in Genesis (Weevers vertaling)      

Study this Passage

Ga naar sectie / 10837  

← Vorige   Volgende →

24. Vers 6. En God zei:

‘Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dat make scheiding tussen de wateren voor de wateren.’

Nadat de Geest Gods, of de barmhartigheid van de Heer, de erkentenissen van het ware en het goede in het daglicht heeft gebracht, en het eerste licht heeft gegeven, namelijk dat de Heer ‘is’, en dat de Heer Zelf het goede is, en Zelf het ware is, en dat er niet enig goede en ware is dan van de Heer alleen, maakt Hij vervolgens onderscheid tussen de innerlijke mens en de uiterlijke mens, dus tussen de erkentenissen, die bij de innerlijke mens zijn en de verzamelde kennis die bij de uiterlijke mens is. De innerlijke mens wordt uitspansel genoemd; de erkentenissen die bij de innerlijke mens zijn, worden wateren boven het uitspansel genoemd; en de verzamelde kennis van de uiterlijke mens wordt wateren onder het uitspansel genoemd. Voordat de mens wordt wedergeboren, weet hij zelfs niet eens dat er een innerlijke mens bestaat, nog minder wat de innerlijke mens is, daar hij er geen onderscheid tussen ziet, terwijl hij, ondergedompeld in lichamelijke en wereldse dingen, er tegelijk al datgene in dompelt wat van de innerlijke mens is, en uit onderscheiden verscheidenheden maakt hij één duistere verwarring. Daarom wordt er eerst gezegd: daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dan: het make scheiding voor de wateren tussen de wateren, maar niet, het make scheiding tussen wateren en wateren. Dit volgt evenwel onmiddellijk daarop in vers 7 en 8: En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo. En God noemde het uitspansel hemel.

Bijgevolg is het tweede wat de mens gewaar wordt, wanneer hij wordt wedergeboren, dit, dat hij begint te weten, dat er een innerlijke mens bestaat; of dat de dingen die bij de innerlijke mens zijn, het goede en het ware zijn, welke van de Heer alleen komen. En omdat de uiterlijke mens, wanneer hij wordt wedergeboren, van dien aard is, dat hij bovendien denkt, dat hij het goede dat hij doet, uit zichzelf doet, en het ware wat hij zegt, uit zichzelf zegt, wordt hij, omdat hij zo is, dus als het ware door zijn eigen ik, van de Heer ertoe geleid het goede te doen en het ware te spreken. Om die reden wordt eerst de nadruk gelegd op de wateren die onder het uitspansel zijn, en dan op de wateren die boven het uitspansel zijn. Het is ook een hemelse verborgenheid dat de mens door zijn eigene, zowel door het bedrieglijke van de zinnen als door de begeerten, geleid en afgebogen wordt, naar dingen die waar en goed zijn, en dat zo alle fasen van de wedergeboorte zowel in het algemeen als in het bijzonder, voortschrijden van de avond tot de morgen, van de uiterlijke mens tot de innerlijke mens, of van de aarde tot de hemel: daarom wordt nu het uitspansel of de innerlijke mens ‘hemel’ genoemd.

(Referenties: Genesis 1:6-8)


Ga naar sectie / 10837  

← Vorige   Volgende →

   Study this Passage
From Swedenborg's Works

Inbound References:

Hemelse Verborgenheden in Genesis 3008, 4112, 9340


   Swedenborg onderzoeksmiddelen


Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2017 op www.swedenborg.nl


Vertalen: