Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #9406

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

9406. En onder Zijn voeten; dat dit betekent de laatste zin, dus de zin van de letter zelf, staat vast uit de betekenis van de voeten, te weten de natuurlijke dingen, nrs. 2162, 3147, 3761, 3986, 4280, 4938-4952; dus zijn de zolen, die onder de voeten zijn, de laatste dingen van de natuur.

Dat onder de voeten hier de laatste zin van het Woord is, dus de letterlijke zin, komt omdat het wordt gezegd ten aanzien van het Goddelijk Ware of het Woord, dat uit de Heer is en dat de Heer is, zoals uit hetgeen voorafgaat, kan vaststaan; en het laatste van het Goddelijk Ware of van het Woord, is zodanig als de letterlijke zin is, die natuurlijk is omdat die voor de natuurlijke mens is.

Dat de zin van de letter in zich de innerlijke zin bevat, die naar verhouding hemels en geestelijk is, staat vast uit alle dingen die tot dusver ten aanzien van het Woord zijn getoond.

Maar hoe meer de mens werelds en lichamelijk is, des te minder vat hij dit, aangezien hij zich niet in het geestelijk licht laat verheffen en vandaar niet kan zien hoedanig het Woord is, namelijk dat het in de letter natuurlijk is en in de innerlijke zin geestelijk; want vanuit de geestelijke wereld of uit het licht van de hemel kunnen de lagere dingen tot aan de laatste toe worden gezien hoedanig zij zijn, echter niet omgekeerd, nr. 9401; dus dat het Woord in de letter zodanig is.

Omdat het Woord in de letter natuurlijk is en met de voeten de natuurlijke zaken worden aangeduid, wordt daarom het laatste van het Woord, evenals het laatste van de Kerk, de plaats van de voeten van Jehovah genoemd en ook de voetbank van Zijn voeten en eveneens een wolk en duisternis naar verhouding, zoals bij Jesaja: ‘Zij zullen uw poorten bij voortduur openen om het leger der natiën tot U te brengen en hun koningen zullen worden toegeleid; de heerlijkheid van de Libanon zal tot U komen; de dennenboom, de pijnboom, de buxus tegelijk, om te versieren de plaats van Mijn heiligdom en Ik zal de plaats van Mijn voeten eerwaardig maken’, (Jesaja 60:11,13); hier wordt gehandeld over de Heer en Zijn rijk en Kerk.

Onder het leger der natiën worden degenen verstaan die in de goedheden van het geloof zijn en onder de koningen zij die in de waarheden van het geloof zijn; dat de natiën degenen zijn die in de goedheden van het geloof zijn, zie de nrs. 1259, 1328, 1416, 1849, 4574, 6005; en de koningen zij die in de waarheden zijn, nrs. 1672, 2015, 2069, 3009, 4575, 4581, 4966, 5044, 5068, 6148; de heerlijkheid van de Libanon of de ceder is het geestelijk goede en ware; de dennenboom, de pijnboom en de buxus, zijn de overeenstemmende natuurlijke waarheden en goedheden; de plaats van het heiligdom is de hemel en de Kerk en eveneens het Woord; de plaats van de voeten is de hemel, de Kerk en ook het Woord in laatsten.

Dat het ook het Woord is, komt omdat de hemel de hemel is krachtens het Goddelijk Ware voortgaande uit de Heer, eender de Kerk; en het Goddelijk Ware dat de Kerk en de hemel maakt, is het Woord; vandaar eveneens wordt het binnenste van de tent, waar de Ark was, waarin de Wet lag, het heiligdom genoemd; de Wet immers is het Woord, nr. 6752.

Bij dezelfde: ‘De hemelen zijn Mijn troon en de aarde is de voetbank van Mijn voeten’, (Jesaja 66:1).

Bij David: ‘Verhoogt Jehovah onze God en aanbidt tot de voetbank van Zijn voeten; Heilig Hij; Mozes en Aharon onder Zijn priesters; in een wolkkolom sprak hij tot hen’, (Psalm 99:5-7); de voetbank van de voeten van Jehovah, die zij zouden aanbidden, is het Goddelijk Ware in laatsten, dus het Woord; dat Mozes en Aharon in de uitbeeldende zin het Woord zijn, zie de nrs. 7089, 7382, 9373, 9374; en dat de wolk het Woord in de letter is of het Goddelijk Ware in laatsten, voorrede tot (Genesis 18) en de nrs. 4060, 4391, 5922, 6343, 6752, 8106, 8781; daaruit blijkt, wat spreken in de wolkkolom is.

Bij dezelfde: ‘Wij hebben van Hem gehoord in Efratha, wij hebben Hem gevonden in de velden van het woud; wij zullen binnengaan in Zijn habitakels en wij zullen ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten’, (Psalm 132:6,7); daar wordt over de Heer gehandeld en over de onthulling van Hem in het Woord; Hem vinden in Efratha, is in de geestelijk hemelse zin van het Woord, nrs. 4585, 4594; in de velden van het woud, is in de natuurlijke of letterlijke zin van het Woord, nrs. 3220, 9011; de voetbank van de voeten voor het Goddelijk Ware dat voortgaat uit de Heer, in laatsten.

Bij dezelfde: ‘Jehovah boog de hemel en dichte duisternis onder Zijn voeten; duisternis stelde Hij tot Zijn schuilplaats; de duisternis van de wateren, wolken van de hemelen; van de glans vóór Hem gingen Zijn wolken voorbij’, (Psalm 18:10,12,13); hier wordt gehandeld over de komst en de tegenwoordigheid van de Heer in het Woord; de dichte duisternis onder Zijn voeten, voor de letterlijke zin van het Woord, eender de duisternis van de wateren en de wolken van de hemelen; dat niettemin aan die zin het Goddelijk Ware in is zodanig als het in de hemelen is, wordt daarmee aangeduid dat Hij de duisternis stelde tot Zijn schuilplaats; en dat bij de tegenwoordigheid van de Heer de innerlijke zin verschijnt zodanig als die in de hemel is, in zijn heerlijkheid, wordt daarmee aangeduid dat van de glans vóór Hem Zijn wolken voorbijgaan.

Bij Nahum: ‘Van Jehovah in wervelwind en storm de weg en een wolk het stof van Zijn voeten’, (Nahum 1:3); ook daar staat de wolk voor het Woord in de zin van de letter, die ook is de wervelwind en de storm, waarin de weg van Jehovah.

Wanneer bij de mens het Goddelijk Ware doorschijnt, zodanig als het in de hemel is, uit de zin zelf van de letter, dan wordt deze zin beschreven met de voeten en de glans ervan, zoals van gepolijst brons, zoals eveneens bij Daniël: ‘Ik hief mijn ogen op en ik zag, zie, een Man met linnen bekleed, Wiens lenden omgord met goud van Ufaz en Zijn lichaam zoals Tharsis en Zijn aangezicht zoals het aangezicht van de bliksem en Zijn ogen zoals fakkels van vuur, Zijn armen en Zijn voeten zoals de glans van gepolijst brons en de stem van Zijn woorden zoals de stem van een menigte’, (Daniël 10:5,6); hier wordt onder de met linnen beklede Man in de hoogste zin de Heer verstaan en omdat de Heer het is, wordt ook verstaan het Goddelijk Ware dat uit Hem is, want het Goddelijk Ware dat uit de Heer is, is de Heer Zelf in de hemel en in de Kerk.

Het Goddelijk Ware of de Heer in laatsten wordt verstaan onder de armen en de voeten zoals de glans van gepolijst brons en verder onder de stem van Zijn woorden zoals de stem van een menigte; eender bij (Ezechiël 1:7).

De opeenvolgende staat van de Kerk op deze aarde ten aanzien van de opneming van het Goddelijk Ware voortgaande uit de Heer wordt ook verstaan onder het standbeeld dat door Nebukadnezar werd gezien, bij Daniël: ‘Het hoofd van het beeld goud, zijn borst en zijn armen zilver, zijn buik en zijn dijen brons, zijn benen ijzer, zijn voeten eensdeels ijzer en eensdeels leem, die niet samenhingen; en een steen uit de rots vermaalde het ijzer, leem, brons, zilver en goud’, (Daniël 2:32,33,43); de eerste staat van de Kerk ten aanzien van de opneming van het Ware voortgaande uit de Heer is het goud, aangezien met goud wordt aangeduid het hemelse goede, namelijk de liefde tot de Heer, nrs. 113, 1551, 1552, 5658, 8932; de tweede wordt aangeduid met zilver, namelijk het geestelijk goede, te weten het goede van het geloof in de Heer en de liefde jegens de naaste, nrs. 1551, 2954, 5658, 7999.

De derde met brons, namelijk het natuurlijk goede, nrs. 425, 1551; en de vierde met ijzer, namelijk het natuurlijk ware, nrs. 425, 426; het leem is het valse, dat niet samenhangt met het ware en het goede; dat een steen uit de rots vermaalde het ijzer, brons, zilver en goud, betekent de Kerk vergaat ten aanzien van de opneming van het ware uit het Woord, wanneer het valse en het boze worden bevestigd door de zin van de letter van het Woord, wat plaatsvindt wanneer de Kerk in de laatste staat is, wanneer zij niet langer in enige hemelse liefde is, maar alleen in wereldlijke en lichamelijke; zodanig is het Woord geweest ten aanzien van de opneming ervan bij de Joodse natie, toen de Heer in de wereld kwam en zodanig is bij de meesten het Woord heden ten dage en wel dermate dat men zelfs niet weet dat er een innerlijke zin is in het Woord; en indien het werd gezegd dat die er is en hoedanig die is, dan zou hij niet worden opgenomen; terwijl toch in de oudste tijden, die met goud werden aangeduid, in de zin van de letter niets anders werd gezien dan het hemelse, vrijwel los van de letter.

Hieruit kan nu vaststaan, dat met de God Israëls gezien onder de voeten, het Woord wordt aangeduid in de laatste zin, die de letterlijke zin is.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl