Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #9093

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

9093. En zij zullen het zilver ervan verdelen; dat dit betekent dat het ware ervan verstrooid zal worden, staat vast uit de betekenis van verdelen, dus verbannen en verstrooien, nrs. 6360, 6361; en uit de betekenis van het zilver, namelijk het ware, nrs. 1551, 2048, 5658, 6112, 6914, 6917, 7999.

Dat verdelen verstrooien is, komt omdat de dingen die vergezelschapt zijn, indien die worden verdeeld, ook worden verstrooid; zoals degene die zijn gemoed verdeelt, dit vernietigt.

Het gemoed van de mens immers is een vergezelschapping van twee delen: het ene deel is het verstand en het andere wordt de wil genoemd; degene die deze twee delen verdeelt, verstrooit de dingen die van het ene deel zijn, want het ene deel leeft uit het andere, vandaar vergaat ook het andere; eender hij die het ware verdeelt van het goede, of wat hetzelfde is, het geloof van de naastenliefde; wie dit doet, verderft elk van beide.

In één woord, alle dingen die één zullen zijn, indien die worden verdeeld, vergaan.

Deze verdeling wordt verstaan onder de woorden van de Heer bij Lukas: ‘Niemand kan twee heren dienen; of hij zal de een haat toedragen en de ander liefhebben; of hij zal de een voortrekken en de ander verachten; gij kunt niet God dienen en de mammon’, (Lukas 16:13); dit wil zeggen, door het geloof de Heer dienen en door de liefde de wereld, dus het ware erkennen en het boze doen; wie dit doet heeft een verdeeld gemoed, vandaar de vernietiging ervan.

Hieruit blijkt vanwaar het komt, dat verdelen verstrooien is, wat eveneens kan vaststaan bij Mattheüs: ‘De heer van deze dienstknecht zal komen ten dage in welke hij het niet verwacht en ter ure die hij niet kent en zal hem verdelen en zijn deel zetten met de huichelaars’, (Mattheüs 24:51); verdelen is daar afscheiden en verwijderen van de goedheden en waarheden, nr. 4424, dus verstrooien.

Bij Mozes: ‘Vervloekt zij hun toorn, omdat hij heftig is en hun ontsteking omdat zij hard is; ik zal hen verdelen in Jakob en zal hen verstrooien in Israël’, (Genesis 49:7); deze woorden zijn gezegd in de profetische uitspraak van Israël ten aanzien van Simeon en Levi; door Simeon en Levi worden daar degenen uitgebeeld die in het van de naastenliefde gescheiden geloof zijn, nr. 6352; door Jakob en Israël de uiterlijke en innerlijke Kerk en eveneens de uiterlijke en innerlijke mens, nrs. 4286, 4598, 6360, 6361; hen verdelen in Jakob, is hen verbannen uit de uiterlijke Kerk en hen verstrooien in Israël, is uit de innerlijke Kerk; dus de goedheden en waarheden van de Kerk bij hen verstrooien.

Dat verdelen dit is, blijkt ook uit de aan de wand geschreven woorden, toen de koning van Babel Beltsazar tezamen met zijn rijksgroten, vrouwen-echtgenoten en bijvrouwen, wijn dronken uit de vaten van goud en zilver van de tempel van Jeruzalem; op de wand werd geschreven: Geteld, geteld, gewogen en verdeeld’, waar verdeeld is, afgescheiden van het koninkrijk, (Daniël 5:2-4,25,28).

Daar blijkt hoe alle dingen in die tijd uitbeeldend zijn geweest; daar wordt beschreven de ontwijding van het goede en het ware, die met Babel wordt aangeduid; dat Babel de ontwijding is, zie de nrs. 1182, 1283, 1295, 1304-1308, 1321, 1322, 1326; de vaten van goud en van zilver zijn de goedheden van de liefde en de waarheden van het geloof uit de Heer, nrs. 1551, 1552, 5658, 6914, 6917; de ontwijding wordt aangeduid met daaruit drinken en dan de goden van goud, zilver, brons, ijzer, hout en steen loven, zoals men daar leest in vers 4, dus de boze en valse dingen in een reeks, nrs. 4402, 4544, 7873, 8941; met de tempel van Jeruzalem, waarvandaan de vaten waren, wordt in de hoogste zin de Heer aangeduid, in de uitbeeldende zin Zijn rijk en de Kerk, nr. 3720; het koninkrijk van Beltsazar verdeeld, betekende de verstrooiing van het goede en ware en dat hijzelf in die nacht werd gedood, betekent de beroving van het leven van het ware en het goede, dus de verdoemenis; verdeeld worden is verstrooid worden.

De koning is het ware van het goede, nrs. 1672, 2015, 2069, 3009, 3670, 4575, 4581, 4966, 5044, 5068, 6148; iets eenders betekent het koninkrijk, nrs. 1672, 2547, 4691; gedood worden is beroofd worden van het leven van het ware en het goede, nrs. 3607, 6767, 8902; en de nacht waarin hij werd gedood, is de staat van het boze en het valse, nrs. 2353, 7776, 7851, 7870, 7947; daaruit blijkt dat alle dingen daar uitbeeldend zijn geweest.

Men leest bij David: ‘Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld en over Mijn bekleedsel hebben zij het lot geworpen’, (Psalm 22:19) en bij Mattheüs: ‘Zij verdeelden de klederen, het lot werpende, opdat vervuld zou worden hetgeen gezegd is door de profeet’, (Mattheüs 27:35) en verder bij Johannes: ‘De krijgsknechten namen de bekleedselen en maakten vier delen; en de rok; de rok was zonder naad, van boven af geheel geweven; zij zeiden daarover: Laten wij die niet verdelen, maar laat ons daarover loten, wiens die zij; opdat de Schrift vervuld zou worden’, (Johannes 19:23,24).

Wie deze teksten leest en niet de innerlijke zin van het Woord kent, weet niet dat er iets verborgens in deze woorden schuilt, terwijl er toch in de afzonderlijke dingen een Goddelijke verborgenheid is; de verborgenheid was dat de Goddelijke waarheden waren verstrooid door de Joden, want de Heer was het Goddelijk Ware; vandaar wordt Hijzelf het Woord genoemd, (Johannes 1:1) e.v.; het Woord is het Goddelijk Ware; Zijn klederen beeldden de waarheden in de uitwendige vorm uit en de rok in de innerlijke; de verdeling van de klederen beeldde de verstrooiing van de waarheden van het geloof door de Joden uit; dat de klederen de waarheden in de uitwendige vorm zijn, nrs. 2576, 5248, 5954, 6918; en dat de rok het ware in de innerlijke vorm is, nr. 4677.

De waarheden in de uiterlijke vorm zijn zodanig als zij zijn in de letterlijke zin van het Woord, maar de waarheden in de innerlijke zin zijn zodanig als zij zijn in de geestelijke zin van het Woord; de verdeling van de klederen in vier delen betekende de totale verstrooiing, eender als de verdeling bij (Zacharia 14:4) en elders.

Evenzo de verdeling in twee delen, zoals men kan lezen over de voorhang van de tempel, (Mattheüs 27:51; Markus 15:38); over de scheuring van de rotsen ook toen, (Mattheüs 27:51), beeldde de verstrooiing van alle dingen van het geloof uit, de rots immers is de Heer ten aanzien van het geloof en vandaar is zij het geloof uit de Heer.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl