De Goddelijke Wijsheid #6

De Goddelijke Wijsheid (Zelling Janssens vertaling)      

Ga naar sectie / 12  

← Vorige   Volgende →

6. Er is een overeenstemming van het hart met de wil, en van de long met het verstand, is een onbekende zaak in de wereld, omdat het onbekend was wat overeenstemming is, en dat er een overeenstemming is van alle dingen in de wereld met alle dingen in de hemel.

Evenzo dat er een overeenstemming is van alle dingen van het lichaam met alle dingen van het gemoed in de mens; er is immers een overeenstemming van de natuurlijke dingen met de geestelijke dingen; maar wat overeenstemming, voorts hoedanig zij is, ook met welke dingen in het menselijke lichaam, is boven gezegd.

Aangezien er overeenstemming is van alle dingen van het lichaam met alle dingen van het gemoed in de mens, is er vooral overeenstemming met het hart en de long.

Deze overeenstemming is universeel, omdat het hart regeert in het ganse lichaam, en eveneens de long; het hart en de long zijn als het ware de twee bronnen van alle natuurlijke bewegingen in het lichaam, en de wil en het verstand zijn de twee bronnen van alle geestelijke activiteiten in hetzelfde lichaam

De natuurlijke bewegingen van het lichaam zullen overeenstemmen met de activiteiten van zijn geest; want indien zij niet overeenstemden, zo zou het leven van het lichaam en eveneens het leven van de animus ophouden; de overeenstemming maakt, dat het ene en het andere leven bestaat en blijft bestaan.

Dat het hart overeenstemt met de wil, of, wat hetzelfde is, met de liefde, blijkt uit de variatie van de pols ervan volgens de aandoeningen.

De variaties ervan zijn deze, dat het óf langzaam óf snel klopt, hoog of laag, zacht of hard, gelijkmatig of ongelijkmatig, enzovoort; aldus anders in blijdschap dan in verdriet, anders in de kalmte van de animus dan in driftigheid, anders in onverschrokkenheid dan in vrees, anders in de hitte van het lichaam dan in de koude ervan, en verschillend in ziekten, enzovoort; alle aandoeningen zijn van de liefde, en vandaar van de wil.

Aangezien het hart overeenstemt met de aandoeningen, die van de liefde zijn en vandaar van de wil, schreven daarom de oude wijzen aan het hart de aandoeningen toe, en sommigen stelden daar haar woonplaats. Daarvandaan is het in het spraakgebruik gekomen om te zeggen een grootmoedig hart, een vreesachtig hart, een blij hart, een droevig hart, een week hart, een hard hart, een groot hart, een klein hart, een ongerept hart, een gebroken hart, een stenen hart, vet, week, klein van hart, hij heeft geen hart, hart geven om te doen, een eenparig hart geven, een nieuw hart geven, in het hart wegleggen, in het hart opnemen, het komt niet in het hart op, zich van harte in iets bevestigen, zich in zijn hart verheffen, hartsvriend; van daar wordt er gezegd: concordia, discordia, vecordia [letterlijk: samenhartigheid, verdeeldhartigheid, dolhartigheid], en eendere dingen meer.

Ook in het Woord wordt met het hart overal de wil of de liefde aangeduid, en de oorzaak hiervan is dat het door middel van alle overeenstemmingen op schrift is gesteld.

Iets eenders is het geval met de long, waarmee de ziel of geest en het verstand wordt aangeduid; want zoals het hart overeenstemt met de liefde of de wil, aldus stemt de ziel of de geest van de longen, zijnde de ademhaling, overeen met het verstand.

Van daar is het, dat in het Woord wordt gezegd dat de mens God zal liefhebben met het ganse hart en de ganse ziel, waarmee wordt aangeduid, dat hij zal liefhebben met de gehele wil en het gehele verstand.

Eender dat God in de mens zal scheppen een nieuw hart en een nieuwe geest; met het hart wordt daar de wil aangeduid, en met de geest het verstand, omdat de mens wanneer hij wordt wederverwekt, opnieuw wordt geschapen.

Vandaar ook wordt van Adam gezegd, dat Jehovah God aan zijn neusgaten de levensziel heeft ingeblazen en hem heeft gemaakt tot een levende ziel, waarmee wordt aangeduid dat God hem de wijsheid heeft ingeblazen.

De neusgaten betekenen ook, vanwege de overeenstemming van de ademhaling door deze, de doorvatting, en het is krachtens deze dat de inzichtvolle mens wordt gezegd een scherpe neus te hebben, en de niet inzichtvolle mens een botte neus.

Vandaar eveneens is het, dat de Heer in de discipelen blies, en tot hen zei: “Ontvangt de Heilige Geest”, Johannes 20:22.

Met dat Hij in hen blies, wordt aangeduid het inzicht dat zij zouden ontvangen; en onder de Heiligen Geest wordt verstaan de Goddelijke Wijsheid, die de mens leert en verlicht.

Dit is geschied, opdat Hij zou openbaren dat de Goddelijke Wijsheid, die onder de Heilige Geest wordt verstaan, uit Hem voortgaat.

Dat ziel en geest wordt gezegd van de ademhaling, is ook uit het gewone spraakgebruik bekend, want gezegd wordt dat de mens de ziel en de geest geeft wanneer hij sterft, want dan houdt hij op bezield te zijn en te ademen.

En eveneens betekent geest in de meeste talen het ene en het andere, zowel de geest in de hemel als de adem van de mens, en eveneens de wind.

Daarvandaan heerst bij sommigen de idee, dat de geesten in de hemelen zoals winden zijn, en eveneens de zielen van de mensen na de dood, ja zelfs God Zelf, omdat Hij Geest wordt genoemd; terwijl toch God Zelf Mens is, eender de ziel van de mens na de dood, voorts elke geest in de hemelen; maar zij worden aldus geheten, omdat ziel en geest vanwege de overeenstemming de wijsheid betekenen.

Dat evenals het hart met de wil overeenstemt, aldus de long met het verstand overeenstemt, blijkt verder uit het menselijk denken en spraak.

Alle denken is van het verstand, en alle spraak is van het denken.

De mens kan niet denken tenzij de longengeest bijstand verleent en samen stemt; en daarom, wanneer hij stil denkt, ademt hij stil; indien hij diep denkt, ademt hij diep, eender indien langzaam, gehaast, aandachtig, mild, begerig, en zo voort, indien hij de adem geheel en al inhield, zou hij niet kunnen denken, tenzij in de geest en uit de ademhaling ervan, enzovoort.

Dat de spraak van de mond, die voortgaat vanuit het denken van het menselijke verstand, één maakt met de ademhaling van de longen, en aldus één dat hij niet het minste van een klank en het minste van een woord kan voortbrengen zonder de bijstand verlenende hulp vanuit de long door het strottenhoofd en de strotklep, kan een ieder vanuit levende ondervinding in zichzelf herkennen indien hij wil.

Dat het hart met de wil en de long met het verstand overeenstemt, blijkt ook uit de universele regering van het ene en het andere in het ganse lichaam, en in alle en de afzonderlijke dingen ervan.

Dat de regering van het hart daar is door de slagaderen en de aderen, is bekend; dat ook de regering van de longen daar is, kan vaststaan voor ieder ontleedkundige; de long immers handelt door haar ademhaling in de ribben en in het middelrif, en door dit en door gene, door middel van de ligamenten en door middel van het buikvlies, in alle ingewanden van het ganse lichaam, en eveneens in alle spieren ervan.

Niet alleen wikkelen zij in, maar zij treden ook diep binnen, en wel zó diep, dat er niet het minste in een ingewand en in een spier is, van de oppervlakte tot het binnenste ervan, dat niet iets trekt vanuit die ligamenten, bijgevolg vanuit de ademhaling.

De maag meer dan de overige dingen, omdat de slokdarm ervan door het middelrif heen gaat, en zich toevoegt aan de luchtpijp die van de long uitgaat.

Vandaar heeft het hart zelf behalve zijn eigen beweging ook de longbeweging, want het ligt neer op het middelrif, en rust in de schoot van de long, en hangt daarmee samen door auriculas en is er een voortzetting van.

Vanuit deze gaat eveneens het respiratorium over in de slagaderen en de aderen; zij hebben dus een tentgemeenschap in één kamer, afgescheiden van het overige lichaam, welke kamer de borst wordt genoemd.

Een scherpe onderzoeker kan vanuit die dingen zien, dat alle leven de bewegingen, die handelingen worden genoemd en door middel van de spieren ontstaan, in wording komen door de samenwerking van de hartbeweging en de longbeweging, die er is in de afzonderlijke dingen, zowel in de algemene, zijnde uitwendig, als in de afzonderlijke, zijnde inwendig.

En wie inzicht heeft, kan ook zien dat die beide bronnen van de bewegingen van het lichaam overeenstemmen met de wil en het verstand, aangezien zij door deze worden voortgebracht.

Dit is ook bevestigd vanuit de hemel.

Het is mij gegeven tussen de engelen te zijn, die dit op levende wijze vertoonden; zij vormden door een wonderbaarlijke en met geen woorden uit te drukken vloeiing in kringen het evenbeeld van een hart en het evenbeeld van de longen, met alle innerlijke en uiterlijke samenweefsels die daarin zijn.

Toen volgden zij de hemelse vloed, want de hemel spant zich in tot zulke vormen vanuit de invloed van de liefde en de wijsheid uit de Heer.

Aldus beeldden zij de afzonderlijke dingen uit die zijn in het hart en de afzonderlijke dingen die zijn in de long, en eveneens het één zijn ervan, wat zij het huwelijk van de liefde en de wijsheid noemden.

En zij zeiden dat iets eenders het geval is in het gehele lichaam, en in zijn afzonderlijke leden, organen en ingewanden, met de dingen die daar zijn van het hart, en die daar zijn van de long; en dat daar waar niet beide ageren, en een ieder onderscheiden zijn toeren, niet enige beweging van het leven kan bestaan uit enig beginsel van de wil, noch enige zin van het leven uit enig verstandelijk beginsel.

Uit de dingen die tot dusver gezegd zijn, kan de mens die tot aan de oorzaken toe wijs wil zijn, geleerd en ingelicht worden, hoe de wil zich verbindt met het verstand, en het verstand met de wil, en zij in verbinding handelen; vanuit het hart hoe de wil, vanuit de long hoe het verstand, en vanuit de verbinding van hart en long de wederkerige verbinding van wil en verstand.

De waarheid van het voorgaande artikel is krachtens deze dingen nu bevestigd, namelijk dat bij de mens na de geboorte het receptakel van de liefde de wil wordt, en het receptakel van de wijsheid het verstand wordt.

Na de geboorte immers worden de longen geopend, en zetten zij samen met het hart het actieve leven in dat van de wil is, en het sensitieve leven dat van het verstand is van de mens.

Dit en dat leven bestaan niet vanwege de afgescheiden werking van het hart, noch vanwege de afgescheiden werking van de longen, maar vanwege de samenwerking van die; noch bestaat het zonder overeenstemming, noch bestaat het in de bezwijmde, of in verstikten.

(Referenties: Deuteronomium 6:5; Ezechiël 36:26; Genesis 2:7)


Ga naar sectie / 12  

← Vorige   Volgende →


Nederlandse tekst door Guus Janssens. Digitale uitgave - Swedenborg Boekhuis 2007.


Vertalen: