De Goddelijke Wijsheid #5

Door Emanuel Swedenborg
      |   
/ 12  
  

5. De wil van de mens wordt na de baring het receptakel van de liefde, en het verstand het receptakel van de wijsheid.

Dat er twee vermogens van het leven bij de mens zijn, de wil en het verstand, is bekend; want de mens kan willen en hij kan verstaan; ja zelfs kan hij verstaan wat hij niet wil; waaruit blijkt, dat de wil en het verstand twee onder scheiden dingen zijn bij de mens, en dat de wil het receptakel van de liefde is, en het verstand het receptakel van de wijsheid.

Hieruit blijkt dat de liefde tot de wil behoort, want wat de mens liefheeft dat wil hij ook, en dat de wijsheid is van het verstand, want dat waarin de mens wijs is of wat hij weet, dit ziet hij met het verstand.

Aldus is het gezicht van het verstand is het denken.

Die twee vermogens heeft de mens niet zolang hij in de baarmoeder verblijft; dat de lichaamsvrucht, in de formering ervan, niets van wil en verstand heeft, is boven bevestigd.

Daaruit volgt, dat de Heer de beide receptakels heeft bereid, het ene voor de wil van de toekomstige mens, het andere voor zijn verstand; het receptakel dat de wil wordt genoemd, voor de opneming van de liefde, en het receptakel dat het verstand wordt genoemd, voor de opneming van de wijsheid, en dat Hij die heeft bereid door Zijn liefde en door Zijn wijsheid; maar dat die twee niet zijn overgegaan tot de mens voordat hij ten volle was geformeerd tot de baring.

Ook heeft de Heer in de middelen voor zien opdat in deze de liefde en de wijsheid uit Hemzelf voller en voller wordt opgenomen naarmate de mens opgroeit en oud wordt.

Dat de wil en het verstand receptakels worden geheten, is omdat de wil niet een of ander abstract geestelijke is, maar een subject is gesubstantieerd en geformeerd tot de opneming van de liefde uit de Heer

Ook het verstand is niet een of ander abstract geestelijke, maar het is een subject gesubstantieerd en geformeerd tot de opneming van de wijsheid uit de Heer.

Zij bestaan ook daadwerkelijk, hoewel zij voor het gezicht verborgen zijn, zijn zij nochtans van binnen in de substanties die de hersenschors maken, en eveneens hier en daar in de mergsubstantie van het cerebrum, vooral daar in de gestreepte lichamen, voorts van binnen in de mergsubstantie van het cerebellum, en eveneens in het ruggenmerg, waarvan zij de kern maken.

Het zijn dus niet twee receptakels, maar ontelbare, en een ieder gepaard, en even eens van drie graden, zoals boven is gezegd.

Dat die dingen de receptakels zijn, en dat zij daar zijn, blijkt duidelijk hieruit, dat zij de beginselen en de hoofden zijn van alle vezels waaruit het gehele lichaam is samen geweven, en dat vanuit de daaruit zich voortstrekkende vezels alle zintuigen en beweegorganen zijn geformeerd; zij zijn immers de beginpunten en de einden ervan.

De zintuigen voelen en de beweegorganen worden bewogen, enig en alleen uit hoofde hiervan dat zij uitgaan en worden voortgezet vanuit de habitakels van de wil en het verstand.

Die receptakels zijn bij de kleine kinderen gering en teer, maar daarna nemen zij wasdom aan en worden zij vervolmaakt volgens de wetenschappen en de aandoeningen ervan.

Zij worden ongerept volgens het inzicht en de liefde van de nutten, en zij worden zacht volgens de onschuld en de liefde tot de Heer, en zij worden vast en hard vanwege de tegen gestelde dingen.

De veranderingen van hun staat zijn de aandoeningen; de variaties van hun vorm zijn de gedachten; het bestaan en het voortduren van deze en gene is het geheugen, en de voortbrenging ervan is de herinnering; de ene en de andere samen genomen zijn het menselijke gemoed.

  
/ 12  
  

Nederlandse tekst door Guus Janssens. Digitale uitgave - Swedenborg Boekhuis 2007.