De Goddelijke Wijsheid #11

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

      |   
/ 12  
  

11. A. De liefde tot de Heer uit de Heer bestaat in de naastenliefde, en de wijsheid in het geloof.

Zij die alleen natuurlijk en niet tegelijk geestelijk denken over de liefde tot de Heer en over de naastenliefde, denken niet anders, omdat zij niet anders kunnen denken, dan dat de Heer moet worden liefgehad naar de persoon, en eveneens de naaste naar de persoon.

Maar zij die zowel natuurlijk als geestelijk denken, doorvatten en vanuit doorvatting denken, dat zowel de boze als de goede de Heer naar de persoon kan liefhebben, eender de naaste; en dat de boze als hij liefheeft, niet kan worden wedergeliefd, maar dat de goede als hij liefheeft, kan worden wedergeliefd.

Vandaar concludeert de geestelijk-natuurlijke mens, dat de Heer liefhebben is datgene liefhebben wat uit Hem is, wat in zich Goddelijk is, waarin de Heer is; en dat dit is de naaste het goede doen; en dat men zo en niet anders uit de Heer kan worden liefgehad, en met Hem door de liefde verbonden worden.

Maar de natuurlijke mens kan niet geestelijke dingen hieromtrent denken, tenzij die dingen duidelijk onderscheiden aan hem worden voorgelegd, hetgeen in de volgende artikelen zal geschieden.

11B. OVER DE LIEFDE EN DE NAASTENLIEFDE

1. Dat de liefde tot het nut de naastenliefde is.

2. Dat het de Heer is uit Wie, en dat het de naaste is tot wie.

3. Dat de liefde tot de Heer bestaat in de naastenliefde, omdat zij in nut bestaat.

4. Dat het nut is naar behoren getrouw, oprecht en gerecht zijn ambt uitoefenen, en zijn werk doen.

5. Dat er algemene nutten zijn, die ook nutten van de naastenliefde zijn.

6. Dat de nutten geen nutten van de naastenliefde worden bij een ander, dan bij hem die strijdt tegen de boze dingen, die vanuit de hel zijn.

7. Aangezien die zijn tegen de liefde tot de Heer, en tegen de naastenliefde.

8. Dat nutten die tot eerste en laatste doel het eigen goede hebben, geen nutten van de naastenliefde zijn.

11B-1. De liefde tot het nut is de naastenliefde.

In alle en afzonderlijke dingen zijn deze drie: doel, oorzaak en uitwerking.

Het doel is waaruit, de oorzaak is waardoor, en de uitwerking is waarin; en wanneer het einddoel door de oorzaak in de uitwerking is, dan bestaat het.

In alle liefde en haar aandoeningen is het einddoel, en het einddoel bedoelt of wil doen wat het liefheeft, en de daad is uitwerking ervan.

De Heer is het einddoel, de mens is de oorzaak, en het nut is de uitwerking waarin het einddoel bestaat.

De Heer is het einddoel, omdat Hij vanuit Zijn Goddelijke Liefde voortdurend nutten bedoelt of wil doen, dat is, goede dingen voor het menselijke geslacht.

De mens is de oorzaak door wie, omdat hij in de liefde van de nutten is of kan zijn, en in die liefde nutten bedoelt of wil doen.

En de nutten zijn de uitwerkingen waarin het einddoel bestaat; het zijn de nutten die ook de goede dingen worden genoemd.

Daaruit blijkt, dat de liefde van de nutten de naastenliefde is, die de mens jegens de naaste zal hebben.

Dat in alle en de afzonderlijke dingen is: doel, oorzaak en uitwerking, kan worden uitgezocht aan de hand van onverschillig welke zaak.

Bijvoorbeeld, als een mens iets doet, dan zegt hij bij zichzelf of tot een ander, of zegt de ander tegen hem: Waarom doe je dit? Dus: Wat is het doel?

Waardoor doe je dit? dus: Door welke oorzaak?

En: Wat doe je? Dus: Wat is de uitwerking?

Einddoel, oorzaak en uitwerking worden ook genoemd de finale oorzaak, de middellijke oorzaak, en het veroorzaakte.

Het is volgens de wet van de oorzaken, dat het einddoel alles is in de oorzaak, en vandaar alles al in de uitwerking; het einddoel immers is het wezen zelf ervan.

Eender is het de Heer; omdat Hij het einddoel is, is Hij het al in de liefde van de nutten of in de naastenliefde bij de mens, en vandaar het al in de nutten uit hem, dat is, in de nutten door hem.

Daarvandaan is het, dat in de kerk wordt geloofd, dat al het goede uit God is, en niets uit de mens, en dat God het Goede Zelf is.

Daaruit volgt dus, dat naastenliefde betrachten is nutten doen, of de goede dingen die tot het nut behoren; aldus dat de liefde van de nutten is naastenliefde.

11B-2. De Heer is uit Wie, en de naaste is tot wie.

Dat de Heer is uit Wie de liefde van de nutten of de naastenliefde is en bestaat, blijkt uit hetgeen boven is gezegd.

Dat de naastenliefde is tot wie, is omdat de naaste het is jegens wie de naastenliefde zal worden betracht, en aan wie de naastenliefde bewezen zal worden.

Omdat gezegd wordt dat de naaste is tot wie, zal ook worden gezegd wie en wat de naaste is.

De naaste in brede zin is het algemene of het openbare welzijn; in minder brede zin zijn het de Kerk, het Vaderland, het Gezelschap groter en kleiner; en in strikte zin de medeburger, de genoot en de broeder.

Aan dezen en genen nutten vanuit liefde bewijzen, is de naastenliefde betrachten; deze immers heeft genen lief.

Dat hij dezen lief heeft, is omdat de liefde van de nutten en de naastenliefde niet gescheiden kunnen worden; de mens kan weliswaar vanuit de liefde van de nutten of vanuit de naastenliefde de bozen weldoen, maar aan hen bewijst hij de nutten van de boetedoening [letterlijk “weer tot inkeer komen”] of van de verzoening, welke nutten verschillend zijn, en op verschillende wijze geschieden; men zie hierover Mattheüs 5:25, 43-44 en vervolg, en ook Lucas 6:27-28,35.

11B-3. De liefde tot de Heer bestaat in naastenliefde, omdat zij in het nut bestaat.

Dit leert de Heer Zelf, aldus bij Johannes: “Wie Mijn geboden heeft en deze doet, die is het die Mij liefheeft. Indien iemand Mij zal hebben liefgehad, die bewaart Mijn Woord. Die Mij niet liefheeft, bewaart Mijn woorden niet”, 14:21,23-24.

Ook: “Indien gij Mijn bevelen zult bewaard hebben, zo zult gij in Mijn liefde blijven”, 15:10.

De geboden, de woorden en de bevelen bewaren, is de goede dingen van de naastenliefde doen, zijnde de nutten aan de naaste.

“Jezus zei driemaal tot Petrus: Hebt gij Mij lief?” en driemaal antwoordde Petrus dat hij Hem lief had.

Jezus zei driemaal: “Weidt Mijn schapen, en Mijn lammeren”, Johannes 21:15-16, 17.

De schapen en de lammeren weiden, zijn de nutten of de goede dingen van de naastenliefde, bij hen die het Evangelie prediken en de Heer lief hebben.

Daaruit blijkt dat de liefde tot de Heer bestaat in naastenliefde, omdat zij in nut bestaat.

Voorts ook dat de verbinding van de liefde tot de Heer met de naastenliefde, dus de verbinding van de Heer met de mens is, in het nut;

Er is zodanige en zoveel verbinding, hoedanig en hoeveel liefde van het nut er is; de Heer immers is in het nut evenals in het goede dat uit Hem is; en de mens die in de liefde van het nut is, is in het nut zoals uit zichzelf.

Toch erkent hij, dat het niet uit hem is maar uit de Heer.

De mens immers kan niet de Heer liefhebben vanuit zichzelf, noch kan hij vanuit zichzelf het nut liefhebben, maar de Heer heeft hem lief en Zijn liefde in hem maakt Hij wederkerig.

Eveneens maakt Hij dat het de menst toeschijnt alsof hij de Heer liefhad vanuit zichzelf; dit dus is de liefde van de Heer uit de Heer.

Daaruit blijkt ook, hoe de liefde tot de Heer bestaat in naastenliefde of in de liefde van het nut.

11B-4. Dat het nut is naar behoren, getrouw, oprecht en gerecht zijn ambt vervullen, en zijn werk doen.

Het wordt niet geweten, of slechts duister en maar door weinigen, wat in het Woord eigenlijk wordt verstaan onder de goede dingen van de naastenliefde, die ook werken worden genoemd, voorts ook vruchten, en hier nutten.

Vanuit de letterlijke zin van het Woord gelooft men, dat het is aan de armen geven, de behoeftigen bijstand verlenen, weduwen en wezen weldoen, en eendere dingen meer, maar deze nutten worden niet onder vruchten, werken, en goede dingen van de naastenliefde daar verstaan

Verstaan wordt naar behoren, getrouw, oprecht en gerecht zijn ambt, zaken en werken vervullen.

Wanneer dit geschiedt, wordt zorg gedragen voor het algemene of openbare welzijn, en zodoende ook voor het vaderland, het gezelschap groter en kleiner, en voor de medeburger, de genoot en de broeder.

Dit zijn de naasten in brede en strikte zin, zoals boven is gezegd.

Iedere mens immers, hetzij een priester, hetzij een overheidspersoon en ambtenaar, hetzij een handelaar, hetzij een werkman, doet dagelijks nutten; de priester door prediking, de overheidspersoon en de ambtenaar door hun administratie, de handelaar in zijn zaken doen, en de werkman door zijn werk.

De rechter bijvoorbeeld, die naar behoren, getrouw, oprecht en gerecht oordeelt, bewijst de naaste het nut, even zo vaak als hij vonnis velt.

De bedienaar eender zo vaak hij leert; aldus eveneens de overigen.

Dat zodanige nutten onder de goede dingen van de naastenliefde en onder de goede werken worden verstaan, blijkt uit de regering van de Heer in de hemelen.

Daar zijn, zoals in de wereld, allen in een functie en bediening, of in enig ambt of in enig werk.

Zij hebben grootheid, welgesteldheid en gelukzaligheid volgens hun getrouwheid, oprechtheid en gerechtigheid daar.

Een luiaard en een slappeling wordt niet toegelaten in de hemel, maar uitgeworpen óf in de hel óf in een woestijn, waar hij dan leeft in gebrek aan alles en in ellende.

Zulke dingen in de hemelen worden genoemd goede dingen van de naastenliefde, werken en nutten.

Iedereen die getrouw, oprecht en gerecht was in zijn ambt en werk in de wereld, is eveneens getrouw, oprecht en gerecht na het heengaan uit de wereld, en hij wordt aangenomen in de hemel door de engelen.

Eveneens heeft een ieder volgens de hoedanigheid van zijn getrouwheid, oprechtheid en gerechtigheid, hemelse vreugde.

De oorzaak hiervan is deze, dat een animus die toegewijd is aan zijn taak en werk, vanuit de liefde tot het nut, in zijn geheel wordt samengehouden, en dan is hij in een geestelijk verkwikkelijke, zijnde het verkwikkelijke van de getrouwheid, oprechtheid en gerechtigheid, en hij wordt afgehouden van het verkwikkelijke van bedriegerijen en boosaardigheid, voorts van het verkwikkelijke van alleen maar kletsen en te schransen, wat ook het verkwikkelijke van de lediggang is, en lediggang is des duivels oorkussen.

Iedereen kan zien dat de Heer in deze liefde geen woning kan hebben, maar dat Hij het kan in de liefde van genen.

11B-5. Dat er algemene nutten zijn, die ook nutten van de naastenliefde zijn.

De eigenlijke en echte nutten van de naastenliefde zijn de nutten van ieders functie en beheer, zoals boven is gezegd.

Deze worden dan de goede dingen van de naastenliefde, waarin bestaat de liefde tot de Heer, of waarmede deze liefde is verbonden, wanneer de mens deze doet vanuit geestelijke getrouwheid en oprechtheid, die is bij hen die de nutten liefhebben omdat zij nutten zijn, en die geloven dat al het goede is uit de Heer.

Maar behalve die nutten zijn er ook algemene nutten, zoals getrouw de partner liefhebben, naar behoren de kinderen opvoeden, het huishouden voorzichtig leiden, gerecht handelen met het dienstpersoneel daar.

Deze werken worden werken van de naastenliefde, wanneer zij geschieden vanuit de liefde van het nut, en jegens de partner als zij geschieden vanuit de onderlinge en kuise liefde.

Er zijn ook andere algemene nutten, zoals bijdragen aan wat nuttig is en verplicht voor het beheer van de Kerk

Deze goede dingen worden nutten van de naastenliefde voor zoveel de Kerk als naaste in een hogere graad wordt geliefd.

Onder de algemene nutten is ook het bijdragen aan de kosten en de uitvoeringen van te bouwen en in stand te houden weeshuizen, inrichtingen ter opneming van vreemdelingen, gymnasia en eendere andere stichtingen, die voor een deel vrijwillig zijn, en hulp verlenen aan behoeftigen, wezen, weduwen, alleen omdat zij behoeftigen, weduwen en wezen zijn, en aan bedelaars geven alleen omdat zij bedelaars zijn.

Dat zijn nutten van de uitwendige naastenliefde, die medelijden wordt genoemd, maar het zijn niet nutten van de inwendige naastenliefde, dan alleen voor zoveel als zij vanuit het nut zelf en de liefde ervan trekken.

De uitwendige naastenliefde immers zonder de inwendige is geen naastenliefde, maar de inwendige tegelijk maakt haar.

De uitwendige naastenliefde vanuit de inwendige handelt voorzichtig, maar de uitwendige naastenliefde zonder de inwendige handelt onvoorzichtig, en meermalen ongerecht.

11B-6. Dat nutten geen nutten van de naastenliefde worden bij een ander, dan bij hem die strijdt tegen de boze dingen, die vanuit de hel zijn.

De nutten die de mens doet zolang hij in de hel is, dat is, zolang de liefde die zijn leven maakt, daar is en daaruit is, zijn niet de nutten van de naastenliefde, want die hebben niets gemeen met de hemel, en in deze is niet de Heer.

De liefde van de mens zijn leven is daar en is daaruit, zolang hij niet heeft gestreden tegen de boze dingen die daar en daaruit zijn.

Die boze dingen staan beschreven in de Decaloog, en zullen worden gezien in de ontvouwing ervan.

De nutten die onder de gedaante van naastenliefde of onder de gedaante van vroomheid geschieden, zijn beschreven in het Woord.

Die onder de gedaante van naastenliefde aldus bij Mattheus:

“Velen zullen tot Mij zeggen te dien dage: Heer, Heer, hebben wij niet bij Uw Naam geprofeteerd, en bij Uw naam demonische dingen uitgeworpen, en in Uw Naam vele deugden gedaan? Maar dan zal Ik hun belijden: Ik ken u niet, wijkt van Mij, gij werkers der ongerechtigheid”, 7:22-23;

en die onder de gedaante van vroomheid bij Lukas:

“Dan zult gij aanvangen te zeggen: Gegeten hebben wij vóór U, en gedronken, en in onze straten hebt Gij geleerd. Maar Hij zal zeggen: Ik zeg u: Ik ken u niet vanwaar gij zijt, wijkt van Mij, alle gij werkers der ongerechtigheid”, 13:26-27.

En eveneens worden zij verstaan onder de vijf dwaze maagden die geen olie hadden in de lampen, tot wie, toen zij kwamen, de Bruidegom zei:

“Ik ken u niet”, Mattheüs 25:1-12.

Zolang immers de helse en duivelse boze dingen door de strijd niet verwijderd zijn, kan de mens wel nutten doen, maar deze hebben niets van naastenliefde en vandaar niets van vroomheid in zich; zij zijn immers innerlijk bezoedeld.

11B-7. Omdat het boze is tegen de liefde tot de Heer, en tegen de naastenliefde.

Alle nutten, die in hun wezen nutten van de naastenliefde zijn, zijn uit de Heer, en geschieden uit Hem door de mensen.

In het nut verbindt Zich de Heer met de mens, of de liefde tot de Heer met de naastenliefde.

Dat niemand enig nut kan doen tenzij uit de Heer, leert Hijzelf bij Johannes:

“Die in Mij blijft en Ik in hem, deze draagt veel vrucht, omdat gij zonder Mij niet wat ook kunt doen”, 15:5; vrucht is nut.

Nutten die geschieden uit de mens die niet had gestreden of strijdt tegen de boze dingen die zijn uit de hel, zijn tegen de liefde tot de Heer en tegen de naastenliefde.

Dit is omdat de boze dingen, die van binnen in de nutten schuilen, tegen de Heer zijn, aldus tegen de liefde tot Hem, en vandaar tegen de liefde van de nutten, en dus tegen de naastenliefde.

De hel en de hemel kunnen niet tezamen zijn, zij zijn immers tegengestelden, of de een tegen de ander.

Daarom hebben zij die zodanige nutten doen, de naaste niet lief, dat is, het algemene en openbare welzijn, de kerk, het vaderland, het gezelschap, de medeburger, de genoot en de broeder, die in brede en strikte zin de naaste zijn.

Dat het zo is, bleek mij uit zeer veel ondervinding.

Zodanig zijn die nutten binnen de mens die ze doet.

Maar buiten de mens zijn het nochtans nutten, ook opgewekt door de Heer bij de mens ter wille van het algemene en particuliere goede, maar niet gedaan uit de Heer; en daarom worden die nutten niet beloond in de hemel, maar zij worden beloond en moeten worden beloond in de wereld.

11B-8. De nutten die als eerste en laatste doel hebben het eigen goede, zijn niet de nutten van de naastenliefde.

Het einddoel is het alle uitwerking of alles van het nut, en de Heer is dat einddoel, en dat het uit het einddoel is dat het nut het nut van de naastenliefde is, werd boven in dit artikel bevestigd.

Wanneer dus de mens het einddoel is, dat is, zijn eigen goede, dan is hij zelf het al van de uitwerking of het al van het nut.

Vandaar is zijn nut niet het nut in wezen, maar in schijn, waarin het leven is vanuit het lichaam, en niet enig leven vanuit de geest.

11C. OVER DE WIJSHEID EN OVER HET GELOOF

11C.1. Dat het geloof niet iets anders is dan de waarheid.

11C.2. Dat de waarheid pas waarheid wordt wanneer zij wordt doorvat en geliefd, en dat zij geloof wordt genoemd wanneer zij wordt geweten en gedacht.

11C.3. Dat de ware dingen van het geloof enerzijds de Heer betreffen, anderzijds de naaste.

11C.4. Kortom, hoe tot de Heer moet worden gegaan, opdat er verbinding geschiedt, en daarna hoe de Heer door de mens nutten doet.

11C.5. Het ene en het andere leren de geestelijke, de zedelijke en de burgerlijke ware dingen.

11C.6. Geloof is die dingen weten en denken; naastenliefde is die dingen willen en doen.

11C.7. Daarom wanneer de Goddelijke Liefde van de Heer ontstaat bij de mens in de naastenliefde, zijnde die dingen willen en doen, zo ontstaat bij de mens de Goddelijke Wijsheid in het geloof, zijnde de ware dingen weten en denken.

11C.8. Dat de verbinding van de naastenliefde en het geloof wederkerig is.

11C-1. Dat het geloof niet iets anders is dan de waarheid.

De Christelijke wereld begon, nadat de naastenliefde ophield, daarvan onkundig te zijn dat de naastenliefde en het geloof één zijn, bijgevolg dat er geen geloof is waar geen naastenliefde is, en geen naastenliefde waar geen geloof is.

Vanuit die onwetendheid kwam de blindheid op, dat men niet wist wat naastenliefde en wat geloof is.

Men begon toen deze te scheiden, niet slechts in het denken, maar ook in de leer, en daardoor de Christelijke Kerk, die in zich één is, te verdelen in meerdere, en deze te onderscheiden volgens de dogma’s van het afgescheiden geloof.

Wanneer naastenliefde en geloof bij de mens gescheiden zijn, dan wordt niet geweten wat naastenliefde en wat geloof is; naastenliefde immers zal het geven dat er geloof zij, en het geloof zal dit leren.

En eveneens zal de naastenliefde verlichten, en het geloof zal zien; en daarom, als de naastenliefde en het geloof worden gescheiden, is de ene noch het andere bij de mens.

Het is hetzelfde als wanneer gij de kandelaar wegneemt, gij ook het licht wegneemt, en donkerheid volgt.

Dit is de oorzaak, dat onder het geloof wordt verstaan dat wat de mens gelooft en niet ziet; en daarom zegt men dat dit en dat moet worden geloofd; en nauwelijks iemand zegt “ik zie het niet”, maar men zegt: “ik geloof”.

Zo weet niemand of het waar dan wel vals is.

Aldus leidt de blinde de blinde, en beiden vallen in de kuil.

Dat het geloof niet iets anders is dan de waarheid, wordt weliswaar erkend wanneer men zegt dat het ware is van het geloof, en dat het geloof is van het ware; maar indien wordt gevraagd of dit of dat de waarheid is, zo wordt geantwoord: “Het behoort tot het geloof”, en verder onderzoek wordt niet gedaan.

Aldus aanvaardt men als waarheid van het geloof, met toegesloten ogen en dichtgestopt verstand, al datgene waarin een ieder is geboren om te geloven.

Een zodanige blindheid werd door de Ouden nooit geloof genoemd, maar dat wat zij door enig licht in het denken konden erkennen dat het waar was.

Vandaar is het, dat in de Hebreeuwse taal waarheid en geloof één woord zijn; dat woord is amen en amuna.

11C-2. Dat de waarheid pas waarheid wordt wanneer zij wordt doorvat en geliefd; en dat zij geloof wordt genoemd wanneer zij wordt geweten en gedacht.

De verdedigers van het afgescheiden geloof willen dat zij worden geloofd, en zeggen dat de geestelijke dingen met het menselijke verstand niet kunnen worden begrepen, omdat zij het te boven gaan.

Maar toch nochtans ontkennen zij de verlichting niet.

De verlichting die zij niet ontkennen, wordt hier verstaan onder de doorvatting, aldus hier onder, dat de waarheid pas waarheid wordt wanneer zij wordt doorvat en geliefd.

Maar toch geeft de liefde van het ware het, dat de doorvatte waarheid ook waarheid wordt, want zij immers geeft het leven.

Dat de verlichting die doorvatting is, is omdat alle waarheid in het licht is, en het menselijke verstand kan in dat licht verheven worden.

Dat alle waarheid is in het licht, is omdat het licht voortgaande uit de Heer als Zon de waarheid zelf is; van daar is het, dat elk ware in de hemel lichtend is, en dat het Woord, zijnde het Goddelijk Ware, aan de engelen daar het algemene licht geef.

Daarom wordt ook de Heer het Woord genoemd, en even eens het Licht, Johannes 1:1-3.

Dat het menselijke verstand in dat licht kan worden verheven, is te weten gegeven vanuit veel ondervinding.

Ook het verstand van hen die niet in de liefde van het ware zijn, maar slechts in de begeerte van weten, of in de aandoening van de roem daardoor, maar met dit verschil, dat zij die in de liefde van het ware zijn, daadwerkelijk in het hemelse licht zijn, en dat zij derhalve in de verlichting en doorvatting van het ware zijn wanneer zij het Woord lezen.

De overigen echter zijn niet in de verlichting en doorvatting van het ware, maar slechts in de bevestiging van hun beginselen, waarvan zij niet weten of het ware dingen dan wel valse dingen zijn.

Met het verschil ook, dat zij die in de liefde van het ware zijn, wanneer zij het Woord lezen en vanuit het Woord denken, het gezicht van hun verstand bestendig in het beginsel zelf houden, en zo nagaan of dit waar is vooraleer het wordt bevestigd.

De overigen echter nemen vanuit de wetenschap van het geheugen een beginsel aan, terwijl ze niet willen weten of het wel waar is.

Hetzelfde als zij de faam van de geleerdheid begeren door het Woord en door de rede bevestigen;

Zo is ook de genius van de geleerdheid [letterlijk ontruwing of beschaving], zijnde de eigenwaan, die elk valse kan bevestigen en wel zo dat het henzelf en de anderen toeschijnt een waarheid te zijn.

Dit is de oorzaak van de ketterijen, de verdeeldheid, en de verdediging van met elkaar in strijd zijnde dogma’s in de kerk.

Daardoor is ook het verschil, dat zij die in de liefde van het ware zijn, wijs zijn en geestelijk worden, de overigen echter natuurlijk blijven en in geestelijke dingen waanzinnig zijn.

Dat de waarheid geloof wordt geheten wanneer zij wordt geweten en gedacht, is omdat de doorvatte waarheid daarna zaak van het geheugen wordt, en deze wordt geloofd; daaruit blijkt ook, dat het geloof niet iets anders is dan de waarheid.

11C-3. De ware dingen van het geloof beschouwen enerzijds de Heer, anderzijds de naaste.

Alle ware dingen beschouwen deze drie als hun universele objecten: boven zich de Heer en de hemel, naast zich de wereld en de naaste, en beneden zich de duivel en de hel.

De ware dingen zullen de mens leren hoe hij kan worden gescheiden van de duivel en de hel, en hij kan worden verbonden met de Heer en de hemel.

En wel door een leven in de wereld waarin hij is, en door een leven met de naaste met wie hij is; door dit en dat geschiedt alle scheiding en verbinding.

Opdat de mens gescheiden wordt van de duivel en de hel, en verbonden met de Heer en de hemel, zal hij de boze dingen weten en daaruit de valse dingen, omdat deze de duivel en de hel zijn; en zal hij de goede dingen weten en daaruit de ware dingen, omdat deze de Heer en de hemel zijn.

Dat de boze en de valse dingen de duivel en de hel zijn, is omdat die daar vandaan zijn; en dat de goede en de ware dingen de Heer en de hemel zijn, is omdat die daar vandaan zijn.

Als de mens deze en die dingen niet weet, ziet hij niet enige uitgang uit de hel, en niet enige toegang tot de hemel.

De ware dingen zullen dat leren, en de ware dingen die leren zijn de mens gegeven in het Woord en vanuit het Woord.

De weg hierheen en daarheen leidt vanuit de wereld, en in de wereld is het leven van de mens, en zijn leven met de naaste daar, en daarom is dat leven de weg die de ware dingen zal leren.

Als dus het leven van de mens volgens de ware dingen van het Woord is, zo wordt de weg tot de hel vanuit de hel gesloten, en wordt de weg tot de Heer en uit de Heer geopend, en het leven van de mens wordt het leven van de Heer bij hem.

Dit is het wat wordt verstaan onder woorden van de Heer bij Johannes:

“Ik, Ik ben de weg, de waarheid en het leven”, Johannes 16:6.

Andersom echter: als het leven van de mens tegen de ware dingen van het Woord is, zo wordt de weg uit de hemel en tot de hemel gesloten, en wordt de weg tot de hel en uit de hel geopend, en het menselijke leven wordt niet het leven, maar wordt de dood.

Dat het leven van de Heer bij de mens het leven van de naastenliefde is, en dat de verbinding is in de liefde van de nutten, is boven over de naastenliefde gezegd; en omdat de ware dingen dit leven zullen leren, zo blijkt dat die enerzijds de Heer beschouwen, en anderzijds de naaste.

11C-4. De ware dingen leren eerst hoe tot de Heer moet worden gegaan, en daarna hoe de Heer nutten doet door de mens.

Hoe tot de Heer wordt gegaan, is nu gezegd, en zal in de ontvouwing van de Decaloog nog uitvoeriger worden gezegd.

Hoe echter de Heer daarna door de mens nutten doet, zal nu gezegd worden.

Het is bekend, dat de mens niet enig goede kan doen uit zichzelf dat in zich ook het goede is, maar uit de Heer.

Bijgevolg niet enig nut kan doen dat in zich nut is; het nut immers is het goede; waaruit volgt, dat de Heer elk nut dat het goede is, door de mens doet.

Dat de Heer wil dat de mens het goede doet zoals vanuit zichzelf, is elders getoond.

Hoe echter de mens het goede zal doen zoals vanuit zichzelf, zullen ook de ware dingen van het Woord leren; en omdat de ware dingen dit zullen leren, zo blijkt dat de ware dingen zijn van de wetenschap en van het denken, en dat de goede dingen zijn van de wil en van de daad.

Zo worden de ware dingen goede dingen door willen en doen.

Dat wat de mens wil en doet, noemt hij het goede, maar wat de mens weet en denkt, noemt hij het ware.

In de daad is aldus het goede, en is dus èn willen èn denken èn weten.

De samenvatting ervan dus in het laatste is het goede.

Dit heeft in zich een uitwendige vorm vanuit de ware dingen in het denken, en een inwendige vorm vanuit de liefde van de wil.

Hoe echter de Heer nutten, zijnde de goede dingen, doet bij de mens, is ook gezegd en getoond in de ontvouwing van de wetten van Zijn Goddelijke Voorzienigheid.

11C-5. Het ene en het andere leren de geestelijke, de zedelijke, en de burgerlijke ware dingen.

a) Eerst zal gezegd worden wat geestelijke ware dingen, zedelijke ware dingen, en burgerlijke ware dingen zijn;

b) ten tweede, dat de geestelijke mens ook een zedelijk en burgerlijk mens is;

c) ten derde, dat het geestelijke is in het zedelijke en het burgerlijke;

d) ten vierde, dat er, als zij worden gescheiden, geen verbinding is met de Heer.

11C-5a. Wat geestelijke ware dingen, zedelijke ware dingen, en burgerlijke ware dingen zijn.

Geestelijke ware dingen zijn die welke het Woord leert over God, dat Hij de ene Schepper van het heelal is; dat Hij is Oneindig, Eeuwig, Almachtig, Alwetend, Alomtegenwoordig, Voorzienig; dat de Heer ten aanzien van het Menselijke Zijn Zoon is; dat God Schepper en Hij één is; dat Hij is de Verlosser, Hervormer, Wederverwekker en Heiland; dat Hij is de Heer van de hemel en de aarde; dat Hij de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid is; dat Hij het Goede Zelf en het Ware Zelf is; dat Hij is het Leven Zelf; het al van de liefde, van de naastenliefde, en van het goede, voorts het al van de wijsheid, van het geloof, en van het ware is uit Hem en niets uit de mens.

Vandaar dat geen mens verdienste heeft uit enige liefde, naastenliefde en enig goede, ook niet uit enige wijsheid, enig geloof en enig ware.

Dat dus Hij Alleen moet worden aanbeden.

Verder dat het heilige Woord Goddelijk is, dat er leven na de dood is, dat er zijn de hemel en de hel, de hemel voor hen die goed leven, en de hel voor hen die boos leven; en meerdere dingen die van de leer zijn vanuit het Woord, zoals over de Doop en het Heilig Avondmaal; deze en eendere dingen zijn eigenlijk geestelijke ware dingen.

De zedelijke ware dingen echter zijn die welke het Woord leert over het leven van de mens met de naaste, welk leven de naastenliefde wordt genoemd, waarvan de goede dingen de nutten zijn.

Samengevat hebben ze betrekking op de gerechtigheid en de billijkheid, op de oprechtheid en de rechtheid, op de kuisheid, op de matigheid, op de waarheid, op de voorzichtigheid, en op de welwillendheid.

Tot de ware dingen van het zedelijke leven behoren ook de tegengestelde dingen die de naastenliefde vernietigen, en in hoofdzaak betrekking hebben op de ongerechtigheid en de onbillijkheid, op de onoprechtheid en het bedrog, op de wulpsheid, op de onmatigheid, op de leugen, op de arglist, op vijandschap, haat en wraak, en op onwelwillendheid.

Dat deze dingen eveneens ware dingen van het zedelijke leven worden genoemd, is omdat de mens alle dingen waarvan hij denkt dat het zo is, hetzij boos hetzij goed, rangschikt onder de ware dingen; hij zegt immers dat het waar is dat dit boos en dat goed is: dit zijn zedelijke ware dingen.

De burgerlijke ware dingen echter zijn de burgerlijke wetten van het koninkrijk en maatschappij, die in hoofdzaak betrekking hebben op verscheidene gerechtigheden die gedaan moeten worden, en in het tegenovergestelde op verscheidene gewelddadigheden die daadwerkelijk plaats vinden.

11C-5b. De geestelijke mens is ook een zedelijk en burgerlijk mens.

Het wordt door velen geloofd dat geestelijk diegenen zijn die de boven opgesomde geestelijke ware dingen weten, en te meer zij die ze spreken, en nog meer zij die met enig verstand ze doorvatten.

Maar toch zijn die niet geestelijk. het is slechts een weten, en vanuit wetenschap een denken en spreken, en vanuit de gave van het verstand die ieder mens heeft, een doorvatten.

Deze dingen alleen maken niet de geestelijke mens; hun ontbreekt de liefde vanuit de Heer, en de liefde uit de Heer is de liefde van de nutten, die de naastenliefde wordt genoemd; in deze verbindt Zich de Heer met de mens, en maakt hem geestelijk; hij doet dan immers uit de Heer nutten, en niet uit zichzelf.

Dit leert de Heer in vele plaatsen in het Woord, en aldus bij Johannes:

“Blijft in Mij, ook Ik in u. Gelijkerwijze de rank niet vrucht kan dragen uit zichzelf tenzij hij gebleven zal zijn in de wijnstok, aldus ook gij niet tenzij gij in Mij zult gebleven zijn. Ik, Ik ben de wijnstok, gij de ranken; die blijft in Mij, en Ik in hem, deze draagt veel vrucht; omdat zonder Mij gij niet wat ook kunt doen”, Johannes 15:4-5.

De vruchten zijn de nutten of de goede dingen van de naastenliefde, en de goede dingen van de naastenliefde zijn niet iets anders dan de zedelijke goede dingen.

Daaruit blijkt, dat de geestelijke mens ook een zedelijk mens is.

Dat de zedelijke mens eveneens is een burgerlijk mens, is omdat de burgerlijke wetten de nutten zelf in daad zijn, en deze worden genoemd werken, uitoefeningen en daden.

Als voorbeeld dient hier het zevende gebod van de Decaloog: “Gij zult niet stelen”.

Het geestelijke in dat gebod is: niet iets aan de Heer ontnemen, en aan zichzelf toeschrijven, en zeggen dat dit het zijne is; voorts ook door valse dingen iemand de ware dingen van zijn geloof afnemen.

Het zedelijke daarin is: niet onoprecht, ongerecht, en bedrieglijk handelen met de naaste, en hem zijn schatten ontfutselen.

Het burgerlijke echter is: niet stelen.

Wie kan niet zien, dat een mens die geleid wordt door de Heer, en daardoor een geestelijk mens is, ook een zedelijk en burgerlijk mens is?

Ook het vijfde gebod kan tot voorbeeld dienen: “Gij zult niet doden”.

Het geestelijke daarin is: gij zult God niet loochenen, aldus de Heer, want Hem loochenen is Hem doden en kruisigen bij zich; voorts niet het geestelijk leven van de mens vernietigen, want zo doodt gij iemands ziel.

Het zedelijke is: gij zult de naaste niet haten, en wraak begeren; de haat immers en de wraak heeft de vermoording van iemand in zich.

En het burgerlijke is: niet zult gij zijn lichaam doden.

Uit deze dingen kan men zien, dat een geestelijk mens, zijnde hij die door de Heer wordt geleid, ook een zedelijk en burgerlijk mens is; anders hij die geleid wordt door zichzelf, waarover zodadelijk.

11C-5c. Het geestelijke is in het zedelijke en het burgerlijke.

Dit volgt uit de boven gezegde dingen, namelijk dat de Heer Zich verbindt met de mens in de liefde van de nutten, of in de naastenliefde.

Het geestelijke is vanuit de verbinding van de Heer, het zedelijke is vanuit de naastenliefde, en het burgerlijke vanuit de uitoefening ervan.

Het geestelijke zal in de mens zijn, opdat hij gezaligd kan worden; en dit geestelijke is uit de Heer, niet boven of buiten de mens, maar binnen hem.

Dit kan niet zijn in de wetenschappen van de mens alleen en vandaar in diens denken en spraak; het zal zijn in diens leven, en zijn leven is willen en doen.

Daarom, wanneer weten en denken eveneens willen en doen is, dan is het geestelijke in het zedelijke en het burgerlijke.

Als zij zeggen: Hoe kan ik willen en doen? dan is het antwoord: Strijdt tegen de boze dingen die uit de hel zijn, en gij zult willen en doen, niet uit u, maar uit de Heer; want als eenmaal de boze dingen verwijderd zijn, doet de Heer alle dingen.

11C-5d. Als zij worden gescheiden, is er geen verbinding met de Heer.

Dit kan worden gezien uit de rede en uit de ondervinding.

Uit de rede: Als een mens een zodanig geheugen en een zodanig verstand heeft, dat hij alle ware dingen van de hemel en van de kerk kan weten en doorvatten, en niet enige ervan wil doen, wordt dan niet van hem gezegd, dat hij geen inzichtsvol mens is, maar boos?

Ja zelfs, dat hij des te meer gestraft moet worden?

Daaruit volgt, dat wie het geestelijke scheidt van het zedelijke en het burgerlijke, niet een geestelijk mens is, noch een zedelijk mens, noch een burgerlijk mens.

Uit de ondervinding: Er zijn van die mensen in de wereld; en met hen heb ik gesproken na de dood, en ik heb gehoord dat zij alle dingen van het Woord wisten, en vele ware dingen vandaar; en dat zij geloofd hadden dat zij daardoor zouden blinken in de hemel zoals sterren; maar toen hun leven werd uitgevorst, werd bevonden dat dit leven louter lichamelijk en wereldlijk was, en vanwege de boze dingen en misdaden die zij bij zichzelf hadden gedacht en gewild, hels.

Daarom werden hun alle dingen afgenomen die zij hadden geweten vanuit het Woord, en zij werden ieder hun eigen wil, en neergeworpen in de hel tot hun gelijken, waar zij waanzinnig spraken volgens hun denken in de wereld, en schandelijkheden uitvoerden volgens hun liefden daar.

11C-6. Het geloof is de goede dingen weten en denken, en de naastenliefde is die dingen willen en doen.

Dat de waarheid het geloof wordt genoemd wanneer de mens haar weet en denkt, is boven bevestigd; dat echter de waarheid naastenliefde wordt wanneer de mens haar wil en doet, zal nu bevestigd worden.

De waarheid is als een zaad dat, als het buiten de aarde wordt beschouwd, slechts een zaad is; maar wanneer het in de aarde komt, wordt het een plant of een boom, en neemt zijn eigen vorm aan, en krijgt vandaar een andere naam.

De waarheid is ook zoals een kleed dat, buiten de mens, slechts een lap stof is, aangepast aan het lichaam; maar wanneer het wordt aangetrokken, wordt het een bekleding waarin de mens is.

Iets eenders is het geval met de waarheid en de naastenliefde.

De waarheid, als zij wordt geweten en gedacht, is slechts waarheid, en wordt geloof genoemd.

Wanneer echter de mens haar wil en doet, wordt zij naastenliefde; geheel en al zoals het zaad een plant of een boom wordt, of zoals een lap stof een bekleding wordt waarin de mens is.

De wetenschap en daaruit het denken zijn eveneens twee vermogens onderscheiden van de wil en de daad daaruit, en eveneens kunnen zij gescheiden worden.

De mens immers kan veel dingen weten en denken die hij niet wil en vandaar niet doet.

Gescheiden maken zij niet het leven van de mens, maar verbonden maken zij het.

Iets eenders is het geval met het geloof en de naastenliefde.

Deze dingen mogen nog door vergelijkingen worden toegelicht.

Licht en warmte in de wereld zijn twee onderscheiden dingen, die èn gescheiden èn verbonden kunnen worden.

Gescheiden worden zij ook in wintertijd, en verbonden in zomertijd; maar gescheiden maken zij niet het plantaardige leven, dat is, brengen zij niet iets voort; doch verbonden maken zij het en brengen voort.

Verder: long en hart in de mens zijn twee onderscheiden dingen, waarvan bewegingen èn gescheiden èn verbonden kunnen worden.

Zij worden gescheiden in flauwtes en verstikkingen; maar gescheiden maken zij niet het leven van het menselijke lichaam, maar verbonden maken zij het.

Iets eenders is het met de wetenschap en daaruit het denken van de mens, waar het geloof toe behoort, en met de wil en de daad, waartoe de naastenliefde behoort.

De long stemt ook overeen met het denken en vandaar met het geloof, en eender het licht; en het hart stemt overeen met de wil en vandaar met de naastenliefde, eender de warmte.

Vanuit deze dingen kan men zien, dat in een geloof dat gescheiden is van de naastenliefde niet méér van leven is dan in weten en denken gescheiden van willen en doen.

Het leven dat daaraan ontbreekt is, alleen dit dat men wil denken, en zich forceert te spreken en aldus te geloven.

11C-7. Wanneer de Goddelijke Liefde van de Heer ontstaat bij de mens in de naastenliefde, zijnde de ware dingen willen en doen, ontstaat de Goddelijke Wijsheid van de Heer bij de mens in het geloof, zijnde de ware dingen weten en denken.

Wat de Goddelijke Liefde van de Heer is, en wat Zijn Goddelijke Wijsheid, is boven gezegd.

Over de naastenliefde en het geloof, en over de verbinding van de Heer in de liefde van nutten doen, zijnde de naastenliefde bij de mens, is ook gesproken.

Nu zal ook worden gehandeld over de verbinding van de Heer met het geloof bij hem.

De Heer verbindt Zich met de mens in de naastenliefde en vanuit die in het geloof, niet echter in het geloof en vanuit dat in de naastenliefde.

De oorzaak hiervan is deze, dat de verbinding van de Heer met de mens is in de liefde van zijn wil, die het leven van hem maakt, dus in de naastenliefde, die het geestelijke leven van hem maakt.

Vanuit deze maakt de Heer de ware dingen van het denken levend, die de ware dingen van het geloof worden genoemd, en verbindt die met het leven.

De eerste ware dingen bij de mens, die het geloof worden genoemd, zijn nog niet levend; zij zijn immers alleen van het geheugen, en vandaar in het denken en de spraak, gebonden aan zijn natuurlijke liefde die vanuit zijn weetbegeerte die dingen put, en vanuit de begeerte naar roem vanwege de wetenschap of vanwege de ontwikkeling ze opwekt, zodat hij ze ofwel denkt ofwel spreekt.

Maar die ware dingen worden eerst dan levend gemaakt, wanneer de mens wordt wederverwekt, wat geschiedt door een leven volgens die, welk leven de naastenliefde is.

Dan wordt het gemoed van de geestelijke mens geopend, in welk gemoed de verbinding geschiedt van de Heer met de mens.

En vandaar worden levend gemaakt de ware dingen van de kindsheid, van de knapenjaren, en van eerste jongelingsjaren van de mens.

De verbinding van de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid geschiedt dan met de naastenliefde bij de mens, en van de Goddelijke Wijsheid en de Goddelijke Liefde in het geloof bij hem, en maakt dat zoals de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid in de Heer één zijn, ook de naastenliefde en het geloof bij de mens één zijn.

Maar over deze dingen zal meer worden gezegd in de ontvouwing van de Decaloog.

11C-8. De verbinding van de naastenliefde en het geloof is wederkerig.

Dat de verbinding van de naastenliefde en het geloof wederkerig is, werd boven ontvouwd, waar gehandeld is over de wederkerige verbinding van de liefde en de wijsheid, en deze werd toegelicht door de overeenstemming met de wederkerige verbinding van hart en long.

  
/ 12  
  

Nederlandse tekst door Guus Janssens. Digitale uitgave - Swedenborg Boekhuis 2007.