From Swedenborg's Works

 

Ware Christelijke Religie #0

     
/ 853  
  

Ware Christelijke Religie

Bevattende de gehele theologie van de Nieuwe Kerk
Uit de Heer bij Daniël 7:13-14 en in de Apocalyps 21:1-2 voorzegd.

Door Emanuel Swedenborg, dienstknecht van de Heer Jezus Christus

Vera Christiana Religio, continens Universam Theologiam Novae Ecclesiae a Domino apud Daniël 7:13-14, et in Apocalyps 21:1-2, praedictae, Ab Emanuele Swedenborg, Domini Jesu Christi Servo, Amstelodami, MDCCLXXI.

Daniël 7:13-14
Ik was ziende in de gezichten van de nacht, en ziet, er was komende Een met de wolken der hemelen, als eens Mensenzoon; en Hem werd gegeven heerschappij en heerlijkheid en het koninkrijk; en alle volken en natiën en tongen zullen Hem vereren; Zijn heerschappij is de heerschappij der eeuw, die niet voorbij zal gaan, en Zijn koninkrijk een rijk dat niet zal vergaan.

Apocalyps 21:1-2, 5, 9-10
Ik, Johannes, zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; en ik zag de heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem, neerdalend uit God vanuit de hemel, toebereid als een bruid die voor haar echtgenoot versierd is. En de engel sprak met mij en zei: Kom, ik zal u tonen de Bruid, de Echtgenote van het Lam; en hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg; en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, neerdalend vanuit de hemel uit God.
Die op de troon zat, zei: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw; en Hij zei tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waar en getrouw.

ALGEMENE INHOUDSOPGAVE

Ware Christelijke Religie
§. Voorwoord
1. Het geloof van de nieuwe hemel en van de nieuwe Kerk

Hoofdstuk 1.
4. God de Schepper
5. De eenheid van God
18. Het Goddelijk Zijn, dat Jehovah is
27. De oneindigheid of de onmetelijkheid en de eeuwigheid van God
36. Het Wezen van God, dat Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid is
49. De almacht, de alwetendheid en de alomtegenwoordigheid van God
75. De schepping van het heelal

Hoofdstuk 2.
81. De Heer de Verlosser
109. Toevoeging
114. De verlossing

Hoofdstuk 3.
138. De Heilige Geest en de Goddelijke werking
158. Toevoeging
163. De Goddelijke Drievuldigheid

Hoofdstuk 4.
189. De Heilige Schrift of het Woord is het Goddelijk Ware zelf.
193. Er is in het Woord een geestelijke zin, tot nu toe onbekend.
210. De letterlijke zin van het Woord is de basis, de samenhouder en bevatter van de geestelijke en hemelse zin ervan.
214. Het Goddelijk Ware in de zin van de letter van het Woord, is in zijn volheid, in zijn heiligheid en in zijn macht.
225. De leer van de Kerk moet vanuit de zin van de letter van het Woord worden geput en hierdoor bevestigd worden.
234. Door de zin van de letter van het Woord is er verbinding met de Heer en vergezelschapping met de engelen.
240. Het Woord is in alle hemelen en daaruit is de wijsheid van de engelen.
243. De Kerk is uit het Woord en zij is bij de mens van dien aard als zijn verstand van het Woord is.
248. Er is in de afzonderlijkheden van het Woord een huwelijk van de Heer met de Kerk en vandaar een huwelijk van het goede en het ware.
254. Uit de zin van de letter van het Woord kunnen ketterijen gehaald worden, maar het is schadelijk deze te bevestigen.
261. De Heer heeft in de wereld alle dingen van het Woord vervuld en is daardoor het Woord, dat wil zeggen, het Goddelijk ware, ook in laatsten geworden.
264. Er was vóór dit Woord, dat heden ten dage in de wereld is, een Woord dat verloren ging.
267. Er is door het Woord ook licht voor hen die buiten de Kerk zijn en het Woord niet hebben.
273. Indien het Woord er niet was, zou niemand iets weten van God, de hemel en de hel, en van het leven na de dood, en nog minder van de Heer.

Hoofdstuk 5.
282. De Tien Geboden uitgelegd naar hun uitwendige en innerlijke zin.
283. De Decaloog was de heiligheid zelf in de Israëlitische kerk.
287. De Decaloog bevat in de letterlijke zin de algemene voorschriften van de leer en van het leven; maar in de geestelijke en hemelse zin op alomvattende wijze alle voorschriften.
291. Eerste Gebod: Er zal geen andere God voor Mijn aangezichten zijn.
297. Tweede Gebod: Gij zult de Naam van Jehovah uw God niet ijdel gebruiken, want Jehovah zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdel gebruikt.
301. Derde Gebod: Gedenkt de Sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden, en al uw werk doen; maar de zevende dag is de Sabbat voor Jehovah, uw God.
305. Vierde Gebod: Eert uw Vader en uw Moeder, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u wel zij in het land dat de Here uw God u geven zal.
309. Vijfde Gebod: Gij zult niet doden.
313, Zesde Gebod: Gij zult niet echtbreken.
317. Zevende Gebod: Gij zult niet stelen.
321. Achtste Gebod: Gij zult geen valse getuigenis afleggen tegen uw naaste.
325. Negende en Tiende Gebod: Gij zult niet begeren uws naasten huis; Gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os en zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.
329. De Tien Geboden bevatten alles wat tot de liefde tot God en alles wat tot de naastenliefde behoort.
332. Eerste gedenkwaardigheid
333. Tweede gedenkwaardigheid.
334. Derde gedenkwaardigheid.
335. Vierde gedenkwaardigheid.

Hoofdstuk 6.
336. Het Geloof
337. Het zaligmakende geloof is het geloof in de Heer God Zaligmaker Jezus Christus.
340. Het geloof bestaat in het kort hierin, dat wie wčl leeft en op de juiste wijze gelooft, uit de Heer wordt zalig gemaakt.
343. De mens neemt het geloof aan door tot de Heer te gaan, de waarheden uit het Woord te leren en overeenkomstig deze te leven.
349. De overvloed van de als in een bundel samenhangende waarheden verhoogt en vervolmaakt het geloof.
355. Het geloof zonder de naastenliefde is niet geloof en de naastenliefde zonder het geloof is niet naastenliefde, en geen van beide leeft tenzij uit de Heer.
362. De Heer, de naastenliefde en het geloof maken één, zoals leven, wil en verstand in de mens, en elk gaat, wanneer zij verdeeld worden, te gronde, zoals een tot stof vergane parel.
368. De Heer is de naastenliefde en het geloof in de mens, en de mens is de naastenliefde en het geloof in de Heer.
373. De naastenliefde en het geloof zijn tezamen in de goede werken.
378. Er is een echt geloof, een onecht geloof en een huichelachtig geloof.
382. Bij de bozen is er geen geloof.
385. Eerste gedenkwaardigheid
386. Tweede gedenkwaardigheid
387. Derde gedenkwaardigheid
388. Vierde gedenkwaardigheid
389. Vijfde gedenkwaardigheid
390. Zesde gedenkwaardigheid
391 Zevende gedenkwaardigheid

Hoofdstuk 7.
392. De naastenliefde of de liefde jegens de naaste en de goede werken.
394. Er zijn drie universele liefden: de liefde tot de hemel, de liefde tot de wereld en de eigenliefde.
403. Deze drie liefden, wanneer die naar behoren aan elkaar zijn ondergeschikt, vervolmaken de mens, maar wanneer ze niet naar behoren aan elkaar ondergeschikt zijn, verdraaien ze de mens en keren hem om.
406. Elk mens afzonderlijk is de naaste die men moet liefhebben, maar overeenkomstig de hoedanigheid van zijn goede.
412. De mens in het meervoud, hetgeen een kleiner en groter gezelschap is, en de mens in de samenstelling van deze gezelschappen, welke het vaderland is, is de naaste die men moet liefhebben.
415. De Kerk is de naaste die men in een hogere graad moet liefhebben, en het Rijk van de Heer is de naaste die men in de hoogste graad moet liefhebben.
417. De naaste liefhebben is op zichzelf beschouwd, niet de persoon liefhebben, maar het goede dat in die persoon is.
420. Naastenliefde en goede werken zijn twee onderscheiden dingen, zoals wel willen en wel doen.
422. De naastenliefde zelf is: rechtvaardig en getrouw handelen in ambt, zaken en beroep waarin eenieder is, en met hen met wie hij in enige betrekking staat.
425. De weldaden van de naastenliefde bestaan daarin, de armen te geven en de behoeftigen te ondersteunen, maar met voorzichtigheid.
429. Er zijn plichten van de naastenliefde die bestaan uit, deels publieke, deels huiselijke en deels private plichten.
433. De ontspanningen van de naastenliefde zijn middag- en avondmalen en bijeenkomsten.
435. Het eerste van de naastenliefde is, de boosheden te verwijderen, en het tweede daarvan, de goedheden te doen welke de naaste tot nut strekken.
439. De mens stelt bij het uitoefening van de naastenliefde geen verdienste in de werken, wanneer hij gelooft dat al het goede uit de Heer is.
443. Het zedelijk leven is, wanneer het tevens geestelijk is, naastenliefde.
446. De vriendschap van de liefde, gesloten met een mens, onverschillig hoe hij naar de geest is, is na de dood nadelig.
450. Er bestaat onechte naastenliefde, huichelachtige naastenliefde en dode naastenliefde.
454. De vriendschap van de liefde tussen de bozen is een innerlijk verborgen haat tussen hen.
456. De verbinding van de liefde tot God en van de liefde jegens de naaste
459. Eerste gedenkwaardigheid.
460. Tweede gedenkwaardigheid
461. Derde gedenkwaardigheid
462. Vierde gedenkwaardigheid

Hoofdstuk 8.
463. De vrije keuze
466. In de tuin van Eden waren twee bomen gesteld: de ene die van het leven en de andere die van de kennis van goed en kwaad; dit betekent, dat de mens de vrije keuze in geestelijke dingen is gegeven.
470. De mens is niet het leven, maar een ontvangend vat van het leven uit God.
475. De mens wordt, zolang hij in de wereld leeft, in het midden tussen hemel en hel gehouden en daar is hij in geestelijk evenwicht, hetgeen de vrije keuze is.
479. Uit de toelating van het kwaad waarin de innerlijke mens van eenieder is, blijkt duidelijk dat de mens een vrije keuze heeft in geestelijke dingen.
483. Het Woord zou zonder de vrije keuze in geestelijke dingen niet van enig nut zijn en dus zou de Kerk ook niets zijn.
485. Zonder de vrije keuze in geestelijke dingen zou er niets van de mens zijn, waardoor hij zich van zijn kant met de Heer zou kunnen verbinden, en vandaar geen toerekening, maar alleen voorbeschikking, hetgeen verfoeilijk is.
489. Zonder de vrije keuze in geestelijke dingen zou God de oorzaak zijn van het kwaad en er zou zo dus geen toerekening zijn.
493. Al het geestelijke van de Kerk, dat in vrijheid binnentreedt en uit het vrije wordt opgenomen, blijft, maar niet omgekeerd.
497. De wil en het verstand van de mens zijn in deze vrije keuze; maar het doen van het kwaad is in beide werelden: de geestelijke en de natuurlijke door wetten beperkt, aangezien anders het gezelschap in beide werelden te gronde zou gaan.
500. Indien de mens geen vrije keuze in geestelijke dingen had, zouden allen in het gehele aardrijk binnen één enkele dag daartoe gebracht kunnen worden, in de Heer te geloven; maar dit kan niet geschieden, omdat datgene wat niet uit vrije keuze door de mens wordt opgenomen, niet blijft.
503. Eerste gedenkwaardigheid
504. Tweede gedenkwaardigheid
505. Derde gedenkwaardigheid
506. Vierde gedenkwaardigheid
507. Vijfde gedenkwaardigheid
508. Zesde gedenkwaardigheid

Hoofdstuk 9.
509. het berouw.
510. Het berouw is het eerste van de Kerk bij de mens.
512. De wroeging, waarvan men heden ten dage zegt, dat dit het geloof voorafgaat, en gevolgd wordt door de vertroosting van het evangelie, is niet het berouw.
516. De bekentenis louter met de mond, dat men een zondaar is, is niet het berouw.
520. De mens wordt geboren tot boosheden van elk geslacht, en zo hij deze niet voor een deel verwijdert door berouw, blijft hij daarin, en wie daarin blijft, kan niet behouden worden.
525. Met de erkentenis van de zonde en met het onderzoek van een zonde bij zichzelf zet het berouw in.
528. Het daadwerkelijke berouw bestaat daarin, zichzelf te onderzoeken, zijn zonden te kennen en te erkennen, tot de Heer te smeken en een nieuw leven in te zetten.
532. Het ware berouw bestaat daarin, niet alleen de handelingen van zijn leven te onderzoeken, maar ook de bedoelingen van zijn wil.
535. Ook diegenen doen boete, die zichzelf niet onderzoeken, maar zich toch van boosheden onthouden, omdat het zonden zijn; en deze boete wordt door diegenen gedaan, die de werken van de naastenliefde uit godsdienst doen.
538. De belijdenis moet voor de Heer God Zaligmaker gedaan worden, gevolgd door de smeekbede om hulp en om kracht ten einde het kwaad te weerstaan.
561. Het daadwerkelijke berouw is gemakkelijk bij hen die soms boete hebben gedaan, maar uiterst zwaar voor diegenen die geen boete hebben gedaan.
564. Wie nooit boete heeft gedaan, of wie nooit een blik in zichzelf geworpen en zichzelf doorvorst heeft, weet tenslotte niet, wat het verdoemende kwaad en wat het heilbrengende goede is.
567. Eerste gedenkwaardigheid
568. Tweede gedenkwaardigheid
569. Derde gedenkwaardigheid
570. Vierde gedenkwaardigheid

Hoofdstuk 10.
571. De hervorming en de wederverwekking.
572. De mens kan, tenzij hij opnieuw verwekt en als het ware opnieuw geschapen wordt, in het koninkrijk Gods niet ingaan.
576. De nieuwe verwekking of schepping geschiedt uit de Heer alleen door de naastenliefde en het geloof als de twee middelen, terwijl de mens meewerkt.
579. Daar allen verlost zijn, kunnen allen wederverwekt worden, eenieder overeenkomstig zijn staat.
583. De wederverwekking geschiedt op gelijke wijze als waarop de mens ontvangen, in de baarmoeder gedragen en opgevoed wordt.
587. De eerste handeling van de nieuwe verwekking wordt de hervorming genoemd en behoort tot het verstand; de tweede handeling wordt de wederverwekking genoemd en behoort tot de wil en daaruit tot het verstand.
591. Eerst moet de innerlijke mens hervormd worden, en door deze de uitwendige; en zo dus wordt de mens wederverwekt.
596. Wanneer dit geschiedt, ontstaat een strijd tussen de innerlijke mens en de uitwendige, en dan heerst degene die overwint over de ander.
601. De wederverwekte mens heeft een nieuwe wil en een nieuw verstand.
607. De wederverwekte mens is in gemeenschap met de engelen van de hemel en de niet wederverwekte mens is in gemeenschap met de geesten van de hel.
611. Voor zoveel de mens wordt wederverwekt, worden de zonden verwijderd en deze verwijdering is de vergeving van de zonden.
615. De wederverwekking is niet mogelijk zonder de vrije keuze in geestelijke dingen.
618. De wederverwekking is niet mogelijk zonder waarheden waardoor het geloof gevormd wordt en waarmee de naastenliefde zich verbindt.
621. Eerste gedenkwaardigheid.
622. Tweede gedenkwaardigheid.
623. Derde gedenkwaardigheid
624. Vierde gedenkwaardigheid.
625. Vijfde gedenkwaardigheid

Hoofdstuk 11.
626. Het geloof van de huidige kerk, waarvan beweerd wordt, dat het alleen dit geloof is wat rechtvaardigt, en de toerekening maken één.
628. De toerekening, die tot het huidige geloof behoort, is tweevoudig: de ene die van de verdienste van Christus en de tweede die van het daaruit voortvloeiende heil.
632. Het geloof, dat de verdienste en de gerechtigheid van Christus de Verlosser toerekent, is pas ontstaan uit de besluiten van de Synode van Nicea ten aanzien van de drie goddelijke personen uit het eeuwige, welk geloof van die tijd af tot de tegenwoordige tijd toe door de gehele christelijke wereld werd aangenomen.
636. Het geloof dat de verdienste van Christus toerekent, was niet bekend in de apostolische kerk, die voorafging, en wordt nergens in het Woord bedoeld.
640. De toerekening van de verdienste en de gerechtigheid van Christus is onmogelijk.
643. Er is een toerekening, maar dat is er een van het goede en het boze en tevens van het geloof.
647. Het geloof en de toerekening van de Nieuwe Kerk kunnen geenszins tezamen zijn met het geloof en de toerekening van de vorige kerk; en wanneer zij tezamen zijn ontstaat zo’n botsing en strijd, dat het al van de Kerk bij de mens te gronde gaat.
650. De Heer rekent elk mens het goede toe en de hel rekent elk mens het kwaad toe.
654. Het geloof maakt, samen met dat waarmee het zich verbindt, het vonnis; indien het ware geloof zich met het goede verbindt, zo valt het vonnis voor het eeuwige leven; maar indien het geloof zich met het kwaad verbindt, dan valt het vonnis voor de eeuwige dood.
658. Niemand wordt de gedachte toegerekend, maar de wil.
661. Eerste gedenkwaardigheid.
662. Tweede gedenkwaardigheid.
663. Derde gedenkwaardigheid.
664. Vierde gedenkwaardigheid

Hoofdstuk 12.
667. Zonder de kennis ten aanzien van de geestelijke zin van het Woord kan niemand weten, wat de twee sacramenten: de Doop en het Heilig Avondmaal behelzen en uitwerken.
670. Onder de wassing, de Doop genoemd, wordt een geestelijke wassing verstaan, welke de zuivering van boosheden en valsheden is, en zo dus de wederverwekking.
674. Aangezien door de besnijdenis van de voorhuid de besnijdenis van het hart werd uitgebeeld, is in de plaats van de besnijdenis de Doop ingesteld, opdat een innerlijke Kerk zou volgen op de uitwendige Kerk, welke in alle en de afzonderlijke dingen een beeld was van de innerlijke Kerk.
677. Her eerste nut van de Doop is de inleiding in de christelijke Kerk en tegelijk daarmee de inlijving onder de christenen in de geestelijke wereld.
681. Het tweede nut van de Doop is, dat de christen de Heer Zaligmaker Jezus Christus, de Verlosser en Zaligmaker, zal mogen kennen en erkennen en Hem volgen.
684. Het derde nut van de Doop, hetgeen het einddoel is, is de wederverwekking van de mens.
688. Door de Doop van Johannes werd de weg bereid, opdat Jehovah de Heer in de wereld neerdalen en de verlossing volbrengen kon.
692. Eerste gedenkwaardigheid.
693. Tweede gedenkwaardigheid.
694. Derde gedenkwaardigheid.
695. Vierde gedenkwaardigheid.
696. Vijfde gedenkwaardigheid.
697. Zesde gedenkwaardigheid.

Hoofdstuk 13.
698. Zonder kennis van de overeenstemmingen van de natuurlijke met de geestelijke dingen kan niemand de nutten en vruchten van het Heilig Avondmaal weten.
702. Indien de overeenstemmingen bekend zijn, weet men, wat onder het Vlees en het Bloed van de Heer verstaan wordt, en dat hetzelfde verstaan wordt onder het Brood en de Wijn, namelijk dat onder het Vlees van de Heer en onder het Brood, het Goddelijk Goede van Zijn Liefde wordt verstaan, alsmede al het goede van de naastenliefde; en onder het Bloed van de Heer en onder de Wijn het Goddelijk Ware van Zijn Wijsheid, alsmede al het ware van het geloof; en onder het eten de toe-eigening.
711. Vanuit deze dingen, indien zij verstaan zijn, kan begrepen worden dat het Heilig Avondmaal universeel en afzonderlijk alle dingen van de Kerk en alle dingen van de hemel bevat.
716. In het Heilig Avondmaal is de Heer in volheid, en Zijn Verlossing in volheid.
719. De Heer is tegenwoordig bij diegenen, die waardig tot het Heilig Avondmaal naderen, en opent voor hen de hemel, en Hij is ook tegenwoordig bij hen, die onwaardig naderen, maar voor hen opent Hij de hemel niet. Zoals dus de Doop de inleiding is in de Kerk, evenzo is het Heilig Avondmaal de inleiding in de hemel.
722. Diegenen naderen waardig tot het Heilig Avondmaal, die in het geloof in de Heer zijn, en in de naastenliefde jegens de naaste, dus degenen die wederverwekt zijn.
725. Zij die waardig tot het Heilig Avondmaal naderen, zijn in de Heer en de Heer in hen; bijgevolg geschiedt door het Heilig Avondmaal de verbinding met de Heer.
728. Het Heilig Avondmaal is voor hen, die waardig naderen, als een bezegeling en een zegel, dat zij zonen Gods zijn.
731. Gedenkwaardigheid: de eeuwige vreugde en de eeuwige gelukzaligheid.

Hoofdstuk 14.
753. De voleinding der eeuw is de laatste tijd of het einde van de Kerk
757. Heden is de laatste tijd van de christelijke Kerk, welke uit de Heer bij de evangelisten en in de Openbaring is voorzegd en beschreven.
760. Deze laatste tijd van de christelijke Kerk is de nacht zelf, waarin de vorige Kerken uitliepen.
764. Na deze nacht volgt de morgen, en deze is de Komst van de Heer.
768. De Komst van de Heer is niet een komen van Hem om de zichtbare hemel en de bewoonbare aarde te verdelgen, en om een nieuwe hemel en een nieuwe aarde te scheppen, zoals tot dusver velen, door het niet verstaan van de geestelijke zin van het Woord, gemeend hebben.
772. Deze Komst van de Heer, welke de tweede is, vindt plaats opdat de bozen van de goeden gescheiden worden, en opdat diegenen zalig worden, die in Hem geloofd hebben en geloven, en opdat uit hen een nieuwe engelenhemel en een nieuwe Kerk op aarde gevormd zal worden; en zonder deze Komst had geen vlees behouden kunnen worden, (Mattheüs 24:22).
776. Deze tweede Komst van de Heer is niet een komen in persoon, maar in het Woord, dat uit Hem is en Hijzelf is.
779. Deze tweede Komst van de Heer geschiedt door een mens, voor wie Hij Zichzelf in persoon heeft geopenbaard, en die Hij met Zijn geest vervuld heeft om de leren van de Nieuwe Kerk te leren door het Woord uit Hem.
781. Dit wordt verstaan onder de Nieuwe Hemel en de Nieuwe Aarde, en onder het daaruit neerdalende Nieuwe Jeruzalem in de Openbaring.
786. Deze Nieuwe Kerk is de kroon van alle Kerken, welke tot dusver op de aardbol zijn geweest.
791. Memorandum
792. De geestelijke wereld
796. Luther, Melanchthon en Calvijn in de geestelijke wereld.
800. De Hollanders in de geestelijke wereld.
806. De Engelsen in de geestelijke wereld.
813. De Duitsers in de geestelijke wereld.
817. De pauselijken in de geestelijke wereld.
822. De heiligen van de pauselijken in de geestelijke wereld.
828. De mohammedanen in de geestelijke wereld.
835. De Afrikanen in de geestelijke wereld en ook iets over andere naties.
841. De Joden in de geestelijke wereld.
846. [Gedenkwaardigheid]

/ 853  
  

Swedenborg Boekhuis Baarle Nassau, Netherlands Nederlandse vertaling door Henk Weevers 2010. Link markup by NCBSP.

The Bible

 

Daniël 7:13-14

Study the Inner Meaning

              

13 Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.

14 En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natien en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.

     

   Study the Inner Meaning

Daniel's First Vision: 4 Beasts and the Little Horn      

By Rev. Dr. Andrew M. T. Dibb

Woodcut

This opening verse of the prophecies of Daniel has a resounding similarity to the opening verses of most of the preceding chapters of the book of Daniel. Like them, it places the vision in a context, we are shown the point of our regeneration at which the Lord is directing us: the first year of Belshazzar, king of Babylon.

In the internal sense, time is an indication of state. This means that the events and prophecies of Daniel do not follow in a strict chronological order, but rather happen on different levels at the same time. While Nebuchadnezzar is king of Babylon, representing selfishness in our inner self, Belshazzar rules our outer self. The work of overcoming selfish motives has to go hand in hand with the removal of that very selfishness in our external—otherwise the exercise is purely intellectual. Daniel’s visions in the last six chapters of the book, indicate the process by which we become aware of the effects of selfishness in our daily lives: when Belshazzar is king.

In spiritual development, we sometimes delude ourselves that change follows effort without delay. Nothing could be further from the truth. Our habits are very powerful—often we are not even aware that we have them. Yet "regeneration" literally means "re-birth," which entails casting out each and every obstacle in the path of our spiritual development. This can only be done by examining the exterior motives in our lives, and getting to the very bottom or root of our behaviors.

Daniel’s vision traces this exploration for us. Each of the four beasts he saw rising up from the sea depict the states of an evil life in us, with the added twist in their relationship to the religious principles a person purports to hold. Each must be examined and rejected. Every detail of the vision, therefore is important.

As with all numbers in the Word, the number "four" has a special meaning vitally important to the exposition. "Four" represents a joining together, and so has the same meaning as the number "two," (Arcana Coelestia 1686, 9103, 9601) which is obvious since "four" is the result of two multiplied into itself.

In a general sense, when the term "four winds" is mentioned in the Word, it means "all things of good and of truth, thus all things of heaven and of the church" (Arcana Coelestia 9642:10) flowing into a person, for "wind" means the influx of life from the Lord (Apocalypse Revealed 343). Thus the Lord breathed life into Adam in the Garden of Eden, and again on His disciples, filling them with the Holy Spirit. In an ideal situation, the presence of the Lord, both in our will and our understanding, in equal measure, indicates a state of regeneration. In that state, we are as "four-square" as the New Jerusalem.

As in so many cases in the book of Daniel, the symbolism needs to be reversed in order to see its full meaning. Daniel is in Babylon, a servant to the king, and thus anything usually relating to the Lord is inverted to relate to the king of Babylon, as selfishness: the opposite of love to the Lord.

The influx then is not goodness and truth, but evil and falsity, specifically love of self and control over others. The "sea" in this vision depicts the great restless tide of selfishness controlling our external being. The book of Daniel is a picture of a person whose conscience is restricted to thoughts and feelings, yet whose behavior, attitudes, and habits still reflect the old states of selfishness (Apocalypse Explained 316). Babylon reigns. In the vision that follows, the states and their effects are revealed.

The vision of the four beasts coming up from the sea tells our story when we cynically misuse truth to live selfishly, until evil completely takes over and would destroy us (Apocalypse Explained 556, Apocalypse Revealed 574). Evil will succeed unless the power of the truth, in our conscience, overcomes evil and allows us to reject it.

The first of these beasts was like a lion with eagle’s wings. Lions are mentioned many times in the Word, and usually describe the power of truth to destroy falsity and evil (Apocalypse Explained 556). But in this vision, describing Babylon, the lion takes on the opposite meaning: the lion represents the power of the love of self (Arcana Coelestia 6367), and the power of falsity to destroy truths.

The eagle's wings, representing human reason, were taken away from the lion, and he was made to stand on his two feet like a man, and a man’s heart was given to him. A person engrossed in selfishness loses their ability to appreciate religion, and weighted down by their own contrary thoughts, find themselves alienated from the truth.

Next, Daniel saw a bear raised up on one side. This posture indicates our eagerness to misinterpret the Word to suit our own means (Arcana Coelestia 781). This a vision of the human state when self love (Nebuchadnezzar) rules our internal being, and the expression of that selfishness (Belshazzar) controls our daily actions. The bear is the pleasure of justifying evil with our own 'superior' reasoning.

It is easy to be kind, while manipulating other people for our own benefit. It is easy to present oneself as a spiritual being in order to deceive other people. In such a life, charity is a dead form. Thus the bear had three ribs hanging from its mouth.

Daniel never tells who commanded the bear to 'arise, and devour more flesh,' but perhaps the urging comes from deeper states of selfishness which control our external actions. Whatever its origin, these words give voice to the heart of a person misusing the Word for his or her own gain.

A leopard is "a ferocious beast" which loves to "kill harmless animals." Its very appearance, black spots on white, illustrates the effect of falsity on truth (Apocalypse Revealed 57). But the leopard in Daniel also had four wings like a bird. As in the case of the lion which had the wings of an eagle, the wings here also signify our intellect destroying the truth. The four wings on the leopard depict "confirmations of what is false" (Apocalypse Revealed 574).

The leopard not only had four wings, but also four heads. This is a depiction of human degradation when falsity rules. It is a state of spiritual insanity, for when a selfish internal acts with a falsified external, there is nothing to prevent a person engaging in all kinds evil (Arcana Coelestia 1944:3). In this state, the conscience is enslaved, powerless to stop the madness.

The fourth beast, whose appearance is not described, signifies the "destruction of truth and good" (Apocalypse Revealed 574). Once a person reaches this state of degeneration, they stop at nothing to destroy any restraining influences. Falsity is used to destroy truth through denial or twisting it to suit one’s own ends. This process is described as "teeth like iron" devouring and breaking in pieces (see 1 explanation of Daniel 2 for a description of 'iron')(Apocalypse Revealed 556).

'A horn' is usually a symbol of power, and in the highest sense, the power of truth against falsity. But again, in this story the opposite sense applies, and the power here is of falsity for evil (Apocalypse Explained 316). These ten horns depict the complete power falsity has over the way we act.

The whole sordid description of the four beasts culminates on a little horn. This is the complete perversion of anything good and true drawn from the Word, and so represents the final profanation. If there was no counter-balancing conscience, a person would be irrevocably in hell.

The casting out of the three horns depicts the power of evil and falsity to destroy and remove the truths of the Word (Apocalypse Explained 316). The number "three" represents fullness or completeness, and thus the power of evil when brought into action to destroy all truths. Hence, the old saying 'when you break one of the Commandments, you break them all,' takes on a more powerful meaning.

The next image shifts: we see the thrones "cast down" signifying the falsities (Arcana Coelestia 8215) from the beasts, judged by the truths of the Word forming our conscience. All judgment begins with truth, for truth provides the balances upon which our lives are measured.

In the image of God’s throne, symbolizing judgment, it is important to remember that His judgment is always a product of love and mercy. But the Lord’s love should not be confused with license: just because He loves the human race, individually and collectively, this does not mean evil is permissible. Evil interferes with a person’s reception of the Lord, putting barriers between Him and ourselves. For the most part, the Lord permits evils, but does not will them, because they are useful reminding us to turn away from them (Divine Providence 275, 278). Yet there are times when human beings overstep the mark.

The judgment in this chapter must be seen in its context, which is in the reign of Belshazzar. It is the story of both the beasts and the fact that Belshazzar was weighed in the balances, found wanting, and killed by Darius. That in essence is a judgment on the external’s of our lives, on our behavior. and attitudes which have their origin in the Nebuchadnezzar states of our inner being.

Here, however, we see the origin of truth as "the Ancient of Days," sitting on the throne of judgment, heralding the destruction of one state and the beginning of another (Apocalypse Revealed 574). The "Ancient of Days" is an image of the love of the Lord (Arcana Coelestia 9470), and in a sense is the Divine counterpart to the love we are led to by means of truth. The object of all truth is to lead one to a love of God, and a love of the neighbor, and a life expressive of both. Our love for God is a reflection of His love for us.

In the Word, a garment corresponds to truth one knows and which forms a part of a person’s mind. Thus the garment of the Ancient of Days represents the truth veiling over the Divine Good. This truth is truth in our minds, in our conscious minds (Arcana Coelestia 9470, Apocalypse Explained 67). These garments were as white as snow to show us the quality of the intelligence and wisdom we can have from the Lord (Apocalypse Explained 195:18).

'Hair' means the most external parts of our lives—the natural thoughts and feelings we have which prompt us into action, all perfectly conscious. While we are in this world, this very external part of us seems to be vitally important, but in fact it is only driven by the inner things. If these are from the Lord, then our external will also appear as virgin wool.

The fire of the throne is the appearance of the Lord's love. The wheels represents the wisdom and intelligence we have from the Lord, which are full of love and so are described as "burning."

All judgment is done by the Lord. The Lord’s birth in Bethlehem was the beginning of a last judgment on the ancient churches, and that judgment from love by means of wisdom, came about through the life and death of Jesus Christ, the Divine Human of the Lord.

In Daniel’s vision, there is a similar relationship between the Ancient of Days, seated on His throne, and the Son of Man to whom was given all power. The Ancient of Days represents the Lord, and in that vision we saw the unity of the Divine love and Divine wisdom in the fiery throne upon which He sat.

Once the presence of the Lord has been established in us by the overthrow of evil and falsity, we will continue to develop in goodness and truth. This spiritual growth is described in the words that 'the Son of Man was given an everlasting dominion,' a theme repeated in verses 18 and 27. The kingdom of the Son of Man extended over "all peoples, nations and tongues," representing the different states of the human mind which will be made subject to truth from the Word. "Peoples" are the truths of doctrine—in this case, the false ideas which affect our behavior to be judged against the truth introduced into our minds by the conscience. "Nations" mean the evils of life, overthrown in the process of judgment (Apocalypse Revealed 483, Apocalypse Explained 175, 455). Thus in the process of judgment, both our habitual thoughts and feelings will be confronted by truth, and replaced by feelings drawn from the goodness and truth of the Lord. Finally, "tongues" signify the actions drawn from evil feelings and false thoughts—these too will be brought down in our personal "last judgment."

The "time, times, and half a time" are the states of temptation and combat we need to go through in order to regenerate. Yet each minute of that combat is a temptation, and temptation only takes place within the framework or regeneration. Thus a person being tempted, who resists the evil, sits in judgment on that evil, and from the power of the Lord will eventually prevail over it.

These final verses are a vision of things yet to come. This is before our entrance into the Lord’s kingdom, before the power of falsity is broken. We still have growing to do. There are still states we need to face and overcome. Even with this marvelous promise of ultimate victory, Daniel found that his thoughts still troubled him.

Footnotes:

http://newchristianbiblestudy.org/bible/story/daniel-interprets-nebuchadnezzars-dream/king-james-version

From Swedenborg's Works

Main explanations:

The Inner Meaning of the Prophets and Psalms 178


Other references to this text:

Arcana Coelestia 49, 1326, 1607, 1990, 4691, 6752, 9807, ...

Apocalypse Revealed 24, 36, 291, 478, 483, 523, 574, ...

Echtelijke Liefde 81

Divine Providence 134

Leer Over De Heer 6, 10, 26, 42, 52

Leer over de Gewijde Schrift 86

Ware Christelijke Religie 1, 113, 157, 251, 262, 288, 416, ...


References from Swedenborg's drafts, indexes & diaries:

Apocalypse Explained 36, 63, 175, 331, 455, 468, 504, ...

On the Athanasian Creed 41

Coronis (An Appendix to True Christian Religion) 3

Marriage 0, 1, 113

Scriptural Confirmations 4, 37

Related New Christian Commentary

  Stories and their meanings:


  Related Books  (see all)


Hop to Similar Bible Verses

Psalm 2:6, 8, 103:19, 145:13

Jesaja 9:6

Daniël 2:44

Mattheüs 16:28, 24:30, 26:64, 28:18

Lucas 1:33, 21:27

Johannes 3:35, 5:27, 12:34

1 Korintiërs 15:27

Apocalyps 1:7, 13, 5:7, 11:15

Bible Word Meanings

zag
The symbolic meaning of "seeing" is "understanding," which is obvious enough that it has become part of common language (think about it; you might see...

Resources for parents and teachers

The items listed here are provided courtesy of our friends at the General Church of the New Jerusalem. You can search/browse their whole library at the New Church Vineyard website.


 Coming with Clouds of Heaven
Project | Ages 7 - 17


Translate: