From Swedenborg's Works

 

Engelenwijsheid over de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid #273

Study this Passage

        
/ 432  
  

273. 1. Dat het natuurlijk gemoed dat in boze dingen en in valse dingen daaruit is, een vorm en beeld van de hel is. Hoedanig het natuurlijk gemoed in zijn substantiële vorm is bij de mens, of hoedanig het is in zijn vorm vanuit de substanties van de ene en de andere wereld samengeweven in de hersenen, waar dat gemoed in zijn eerste dingen zetelt, kan hier niet worden beschreven. De universele idee ten aanzien van die vorm zal gegeven worden in de volgende dingen waar gehandeld moet worden over de overeenstemming van het gemoed en van het lichaam. Hier zal alleen iets gezegd worden over de vorm daarvan naar de staten en de veranderingen ervan, waardoor het waarnemen, het denken, bedoelen en willen en de dingen die daarvan zijn, optreden. Want het natuurlijk gemoed dat in boze dingen en de valse dingen daaruit is, is ten aanzien daarvan een vorm en beeld van de hel. Zo’n vorm veronderstelt een substantiële vorm als subject, want veranderingen van staat zonder substantiële vorm die het subject is, kunnen er niet zijn, geheel zoals het gezicht niet zonder het oog en het gehoor zonder het oor. Wat dus de vorm of het beeld betreft waarmee het natuurlijk gemoed op de hel gelijkt, die vorm en dat beeld is zodanig dat de regerende liefde met de begeerten ervan, wat de universele staat van dit gemoed is, is zoals in de hel de duivel is en dat de gedachten van het valse die opkomen vanuit die regerende liefde, zijn zoals de duivelse bende. Onder de duivel en onder de bende van hem wordt ook niets anders in het Woord verstaan. De zaak is ook eender, want in de hel is de liefde van heersen vanuit de eigenliefde de regerende liefde; deze wordt daar de duivel geheten; en de aandoeningen van het valse met de gedachten die opkomen vanuit die liefde, worden de bende van hem geheten. Het eendere is in elk willekeurig gezelschap van de hel, met verschillen zodanig als de specifieke verschillen zijn van een enkel geslacht. In een eendere vorm is ook het natuurlijk gemoed dat in boze dingen en in valse dingen daaruit is. Daarom ook komt de natuurlijke mens die zodanig is, na de dood in een gezelschap van de hel dat aan hem eender is en dan handelt hij in alle en in de afzonderlijke dingen één hiermee, want hij komt in zijn vorm, dat wil zeggen, in de staat van zijn gemoed. Er is eveneens een andere liefde, die satan wordt geheten, deze is ondergeordend aan de eerdergenoemde liefde die duivel wordt geheten. Dit is de liefde van goederen van anderen willen bezitten door onverschillig welke boze kunst; scherpzinnige boosaardigheden en arglistigheden zijn de bende van hem. Wie in deze hel zijn, die worden in het algemeen satans geheten en wie in de vorige zijn, die worden in het algemeen duivels geheten, en wie daar niet op heimelijke wijze handelen, wijzen hun naam niet af; vandaar is het dat de hellen in het samengestelde, duivel en satan worden genoemd. Dat de twee hellen volgens die twee liefden in het algemeen zijn onderscheiden, is omdat alle hemelen in twee rijken: het hemelse en het geestelijke, volgens twee liefden zijn onderscheiden; en de duivelse hel vanuit het tegenovergestelde overeenstemt met het hemels rijk en de satanische hel vanuit het tegengestelde overeenstemt met het geestelijk rijk. Dat de hemelen in twee rijken, het hemelse en het geestelijke, zijn onderscheiden, kan men zien in het werk Hemel en Hel 20-28 n.. Dat het natuurlijk gemoed dat zodanig is, in vorm een hel is, is omdat elke geestelijke vorm in grootste en kleinste dingen aan zichzelf eender is; vandaar is het, dat iedere engel een hemel in kleinere vorm is, zoals eveneens in het werk Hemel en Hel 51-58 is getoond. Hier vanuit volgt ook dat iedere mens of geest die een duivel of een satan is, een hel in kleinere vorm is.

  
/ 432  
  
   Study this Passage
Table of Contents
DE LIEFDE IS HET LEVEN VAN DE MENSEN. 1-3 GOD ALLEEN, DUS DE HEER, IS DE LIEFDE ZELF, OMDAT HIJ HET LEVEN ZELF IS; EN ENGELEN EN MENSEN ZIJN DE OPNEMENDEN VAN DIT LEVEN. 4-6 HET GODDELIJKE IS NIET IN DE RUIMTE. 7-10 GOD IS DE MENS ZELF. 11-13 ZIJN EN BESTAAN ZIJN IN GOD-MENS ONDERSCHEIDEN ÉÉN. 14-16 IN GOD-MENS ZIJN ONEINDIGE DINGEN ONDERSCHEIDEN ÉÉN. 17-22 ER IS ÉÉN GOD-MENS, UIT WIE ALLE DINGEN ZIJN. 23-27 HET GODDELIJK WEZEN ZELF IS DE LIEFDE EN DE WIJSHEID. 28-33 DE GODDELIJKE LIEFDE IS VAN DE GODDELIJKE WIJSHEID EN DE GODDELIJKE WIJSHEID IS VAN DE GODDELIJKE LIEFDE. 34-39 GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID ZIJN SUBSTANTIE EN ZIJN VORM. 40-43 GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID ZIJN IN ZICH DE SUBSTANTIE EN DE VORM, DUS HET ZELF EN HET ENIGE. 44-46 GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID KAN NIET ANDERS DAN ZIJN EN BESTAAN IN ANDERE, UIT ZICH GESCHAPENEN. 47-51 ALLE DINGEN IN HET HEELAL ZIJN UIT DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID DOOR GOD-MENS GESCHAPEN. 52-54 ALLES IN HET GESCHAPEN HEELAL IS OPNEMEND VAN DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID UIT GOD-MENS. 55-60 ALLE DINGEN DIE GESCHAPEN ZIJN, HEBBEN IN EEN ZEKER BEELD BETREKKING OP DE MENS. 61-64 DE NUTTEN VAN ALLE DINGEN DIE GESCHAPEN ZIJN KLIMMEN OP DOOR GRADEN UIT DE LAATSTE DINGEN TOT AAN DE MENS EN DOOR DE MENS TOT GOD DE SCHEPPER, DE BRON VAN ALLES. 65-68 HET GODDELIJKE VULT ALLE RUIMTEN VAN HET HEELAL ZONDER RUIMTE. 69-72 HET GODDELIJKE IS IN ALLE TIJD ZONDER TIJD. 73-76 HET GODDELIJKE IS IN DE GROOTSTE EN DE KLEINSTE DINGEN HETZELFDE. 77-82 DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID VERSCHIJNEN IN DE GEESTELIJKE WERELD ALS ZON. 83-88 VANUIT DE ZON DIE VANUIT DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID BESTAAT, GAAT WARMTE EN LICHT VOORT. 89-92 DIE ZON IS NIET GOD, MAAR ZIJ IS HET VOORTGAANDE VANUIT DE GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID VAN GOD-MENS; ZOALS DE WARMTE EN HET LICHT VANUIT DIE ZON. 93-98 DE GEESTELIJKE WARMTE EN HET GEESTELIJK LICHT UIT HET VOORTGAANDE UIT DE HEER ALS ZON MAKEN ÉÉN, ZOALS DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID VAN HEMZELF ÉÉN MAKEN. 99-102 DE ZON VAN DE GEESTELIJKE WERELD VERSCHIJNT OP GEMIDDELDE HOOGTE OP EEN AFSTAND VAN DE ENGELEN, ZOALS DE ZON VAN DE NATUURLIJKE WERELD VAN DE MENSEN. 103-107 DE AFSTAND TUSSEN DE ZON EN TUSSEN DE ENGELEN IN DE GEESTELIJKE WERELD IS EEN SCHIJNBAARHEID VOLGENS DE OPNEMING VAN DE GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID DOOR HEN. 108-112 DE ENGELEN ZIJN IN DE HEER EN DE HEER IN HEN; EN OMDAT DE ENGELEN OPNEMENDEN ZIJN, IS DE HEER ALLEEN DE HEMEL. 113-118 IN DE GEESTELIJKE WERELD IS HET OOSTEN WAAR DE HEER ALS ZON VERSCHIJNT EN DE OVERIGE STREKEN ZIJN DAARUIT. 119-123 DE STREKEN IN DE GEESTELIJKE WERELD ZIJN NIET UIT DE HEER ALS ZON MAAR ZIJ ZIJN UIT DE ENGELEN VOLGENS HUN OPNEMING. 124-128 DE ENGELEN KEREN HUN AANGEZICHT BIJ VOORTDUUR TOT DE HEER ALS ZON DAAR EN DUS HEBBEN ZIJ HET ZUIDEN AAN DE RECHTERZIJDE, HET NOORDEN AAN DE LINKER- EN HET WESTEN AAN DE RUGZIJDE. 129-134 ALLE INNERLIJKE DINGEN, ZOWEL VAN HET GEMOED ALS VAN HET LICHAAM VAN DE ENGELEN ZIJN TOT DE HEER ALS NAAR DE ZON GEKEERD. 135-139 IEDERE GEEST, HOEDANIG HIJ OOK IS, KEERT ZICH OP DEZELFDE WIJZE TOT ZIJN REGERENDE LIEFDE. 140-145 DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID, DIE VOORTGAAN UIT DE HEER ALS ZON, MAKEN DE WARMTE EN HET LICHT IN DE HEMEL, EN HET GODDELIJK VOORTGAANDE, WAT DE HEILIGE GEEST IS. 146-150 DE HEER HEEFT HET HEELAL EN ALLE DINGEN ERVAN DOOR MIDDEL VAN DE ZON, DIE HET EERSTE VOORTGAANDE VAN DE GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID IS, GESCHAPEN. 151-156 DE ZON VAN DE NATUURLIJKE WERELD IS ZUIVER VUUR EN VANDAAR DOOD, EN DE NATUUR, OMDAT DIE VANUIT DIE ZON DE OORSPRONG LEIDT, IS EVENEENS DOOD. 157-162 ZONDER BEIDE ZONNEN, DE ENE LEVEND EN DE ANDERE DOOD, IS ER NIET EEN SCHEPPING. 163-166 HET DOEL VAN DE SCHEPPING BESTAAT IN LAATSTEN: DAT ALLE DINGEN TERUGKOMEN TOT DE SCHEPPER EN DAT ER VERBINDING ZAL ZIJN. 167-172 IN DE GEESTELIJKE WERELD ZIJN ATMOSFEREN, WATEREN EN LANDEN, ZOALS IN DE NATUURLIJKE WERELD, MAAR DIE ZIJN GEESTELIJK, IN DE NATUURLIJKE WERELD ECHTER NATUURLIJK. 173-178 ER ZIJN GRADEN VAN LIEFDE EN WIJSHEID, EN VANDAAR GRADEN VAN WARMTE EN LICHT, VOORTS GRADEN VAN ATMOSFEREN. 179-183 GRADEN ZIJN ER VAN TWEEVOUDIG GESLACHT: GRADEN VAN HOOGTE EN GRADEN VAN BREEDTE. 184-188 GRADEN VAN HOOGTE ZIJN GELIJK VAN GESLACHT, EN DE EEN IS UIT DE ANDER IN EEN REEKS, ZOALS DOEL, OORZAAK, EN UITWERKING ZIJN. 189-194 DE EERSTE GRAAD IS HET AL IN ALLE DINGEN VAN DE VOLGENDE GRADEN. 195-198 ALLE VERVOLMAKINGEN GROEIEN EN KLIMMEN OP MET DE GRADEN EN VOLGENS DIE. 199-204 IN DE OPEENVOLGENDE ORDE MAAKT DE LAAGSTE GRAAD HET HOOGSTE EN DE DERDE HET LAAGSTE, MAAR IN DE GELIJKTIJDIGE ORDE MAAKT DE EERSTE GRAAD HET BINNENSTE EN DE DERDE HET BUITENSTE. 205-208 DE LAATSTE GRAAD IS DE SAMENVATTING, HET SAMENHOUDENDE EN DE BASIS VAN DE EERDERE GRADEN. 209-216 DE GRADEN VAN HOOGTE ZIJN IN HUN LAATSTE HET VOLLE EN IN DE MACHT. 217-221 DE GRADEN VAN HET ENE EN HET ANDERE GESLACHT ZIJN IN DE GROOTSTE EN DE KLEINSTE DINGEN VAN ALLES WAT GESCHAPEN IS. 222-229 IN DE HEER ZIJN DRIE ONEINDIGE EN ONGESCHAPEN GRADEN VAN HOOGTE EN IN DE MENS ZIJN DEZE DRIE EINDIG EN GESCHAPEN. 230-235 DIE DRIE GRADEN VAN HOOGTE ZIJN IN ELK WILLEKEURIG MENS UIT GEBOORTE EN KUNNEN ACHTEREENVOLGENS GEOPEND WORDEN; EN WANNEER ZIJ WORDEN GEOPEND IS DE MENS IN DE HEER, EN DE HEER IN DE MENS. 236-241 HET GEESTELIJK LICHT VLOEIT IN BIJ DE MENS DOOR DE DRIE GRADEN, MAAR NIET DE GEESTELIJKE WARMTE, TENZIJ VOORZOVEEL DE MENS DE BOZE DINGEN ALS ZONDEN SCHUWT EN TOT DE HEER SCHOUWT. 242-247 INDIEN BIJ DE MENS NIET DE HOGERE GRAAD, DIE DE GEESTELIJKE IS, WORDT GEOPEND, WORDT HIJ NATUURLIJK EN ZINLIJK. 248-255 DE NATUURLIJKE GRAAD VAN HET MENSELIJK GEMOED IS IN ZICH BESCHOUWD CONTINU, MAAR DOOR DE OVEREENSTEMMING MET HET TWEETAL HOGERE GRADEN, VERSCHIJNT DIT, ALS HET VERHEVEN WORDT, ALSOF HET DISCREET WAS. 256-259 HET NATUURLIJK GEMOED IS REAGEREND, OMDAT HET DE BEDEKKER EN SAMENHOUDER IS VAN DE HOGERE GRADEN VAN HET MENSELIJK GEMOED, EN INDIEN DE HOGERE GRADEN NIET WORDEN GEOPEND, HANDELT HET DAARTEGEN, MAAR INDIEN ZIJ WEL WORDEN GEOPEND, HANDELT HET MET DIE. 260-263 DE OORSPRONG VAN HET BOZE IS VANUIT HET MISBRUIK VAN DE VERMOGENS DIE DE MENS EIGEN ZIJN, EN REDELIJKHEID EN VRIJHEID WORDEN GENOEMD. 264-270 DE BOZE EN DE VALSE DINGEN ZIJN IN AL HET TEGENOVERGESTELDE TEGEN DE GOEDE EN WARE DINGEN, OMDAT DE BOZE EN VALSE DINGEN DUIVELS EN HELS ZIJN EN DE GOEDE EN WARE DINGEN GODDELIJK EN HEMELS. 271-276 ALLE DINGEN DIE VAN DE DRIE GRADEN VAN HET NATUURLIJK GEMOED ZIJN, ZIJN INGESLOTEN DOOR DE WERKEN DIE DOOR DE HANDELINGEN VAN HET LICHAAM PLAATSVINDEN. 277-281 DE HEER UIT HET EEUWIGE, DIE JEHOVAH IS, HEEFT HET HEELAL EN ALLE DINGEN ERVAN UIT ZICHZELF GESCHAPEN, EN NIET UIT NIETS. 282-284 DE HEER UIT HET EEUWIGE OF JEHOVAH HAD NIET HET HEELAL EN ALLE DINGEN ERVAN KUNNEN SCHEPPEN TENZIJ HIJ MENS WAS. Zij die een lichamelijk natuurlijk idee van God als Mens hebben, kunnen in het geheel niet begrijpen hoe God als Mens het heelal en alle dingen ervan kon scheppen. 285-289 DE HEER UIT HET EEUWIGE OF JEHOVAH HEEFT UIT ZICHZELF DE ZON VAN DE GEESTELIJKE WERELD VOORTGEBRACHT, EN VANUIT DIE ZON HET HEELAL EN ALLE DINGEN ERVAN GESCHAPEN. 290-295 ER ZIJN DRIE DINGEN IN DE HEER DIE DE HEER ZIJN: HET GODDELIJKE VAN DE LIEFDE, HET GODDELIJKE VAN DE WIJSHEID EN HET GODDELIJKE VAN HET NUT. DIE DRIE VERTONEN ZICH IN SCHIJNBAARHEID BUITEN DE ZON VAN DE GEESTELIJKE WERELD; HET GODDELIJKE VAN DE LIEFDE DOOR DE WARMTE, HET GODDELIJKE VAN DE 296-301 DE ATMOSFEREN, WELKE ER DRIE ZIJN IN DE ENE EN IN DE ANDERE WERELD, DE GEESTELIJKE EN DE NATUURLIJKE, HOUDEN IN HAAR LAATSTEN STIL IN SUBSTANTIES EN MATERIES HOEDANIG DIE OP AARDE ZIJN. 302-304 IN DE SUBSTANTIES EN DE MATERIES WAAR VANUIT DE AARDEN ZIJN, IS NIETS VAN HET GODDELIJK IN ZICH, NIETTEMIN ZIJN DIE UIT HET GODDELIJKE IN ZICH. 305-306 ALLE NUTTEN, DIE DE DOELEN VAN DE SCHEPPING ZIJN, ZIJN IN VORMEN, EN ZIJ NEMEN DE VORMEN AAN VANUIT DE SUBSTANTIES EN DE MATERIES ZOALS DIE OP DE AARDEN ZIJN. 307-318 ALLE DINGEN VAN HET GESCHAPEN HEELAL, GEZIEN VANUIT DE NUTTEN, GEVEN IN BEELD DE MENS WEER EN DIT GETUIGT DAT GOD IS MENS. 319-326 ALLE DINGEN DIE UIT DE HEER GESCHAPEN ZIJN, ZIJN NUTTEN; EN ZIJ ZIJN IN DIE ORDE, DIE GRAAD EN DAT OPZICHT NUTTEN WAARIN ZIJ BETREKKING HEBBEN OP DE MENS EN DOOR DE MENS OP DE HEER, HET BEGIN VAN ALLES. 327-335 DE BOZE NUTTEN ZIJN NIET UIT DE HEER GESCHAPEN; MAAR DEZE ZIJN TEZAMEN MET DE HEL OPGEKOMEN. 336-348 DE ZICHTBARE DINGEN IN HET GESCHAPEN HEELAL GETUIGEN DAT DE NATUUR NIETS HEEFT VOORTGEBRACHT EN NIETS VOORTBRENGT, MAAR DAT HET GODDELIJKE VANUIT ZICH EN DOOR DE GEESTELIJKE WERELD ALLE DINGEN VOORTBRENGT. 349-357 ER ZIJN TWEE OPNEMENDE VATEN EN WOONPLAATSEN VAN HEMZELF DOOR DE HEER BIJ DE MENS GESCHAPEN EN GEVORMD, DIE DE WIL EN HET VERSTAND WORDEN GENOEMD; DE WIL VOOR DE GODDELIJKE LIEFDE VAN HEMZELF EN HET VERSTAND VOOR DE GODDELIJKE WIJSHEID VAN HEMZELF. 358-361 DE WIL EN HET VERSTAND, DIE DE ONTVANGENDE VATEN ZIJN VAN DE LIEFDE EN VAN DE WIJSHEID, ZIJN IN DE HERSENEN, IN HET GEHEEL EN IN ELK DEEL DAARVAN, EN DAARUIT IN HET LICHAAM IN HET GEHEEL EN IN ELK DEEL ERVAN. 362-370 ER IS EEN OVEREENSTEMMING VAN DE WIL MET HET HART EN VAN HET VERSTAND MET DE LONG. 371-393 VANUIT DE OVEREENSTEMMING VAN HET HART MET DE WIL EN VAN HET VERSTAND MET DE LONG KUNNEN ALLE DINGEN GEWETEN WORDEN DIE OVER DE WIL EN HET VERSTAND, OF OVER DE LIEFDE EN DE WIJSHEID, DUS OVER DE ZIEL VAN DE MENS GEWETEN KUNNEN WORDEN. 394-431 HOEDANIG DE OORSPRONG VAN DE MENS IS UIT DE ONTVANGENIS. 432
From Swedenborg's Works

Inbound References:

Apocalypse Revealed 907

Divine Providence 6, 32

Interaction of the Soul and Body 16


   Swedenborg Research Tools


Published by Swedenborg Boekhuis.

From Swedenborg's Works

 

Goddelijke Voorzienigheid #6

Study this Passage

        
/ 340  
  

6. Door velen wordt erkend dat er één enige substantie is, welke ook de eerste is, waar vanuit alle dingen zijn. Maar hoedanig die substantie is, weet men niet; men gelooft dat zij zo enkelvoudig is dat niets enkelvoudiger is, en dat dit vergeleken kan worden met een punt, die geen afmeting heeft, en dat vanuit een oneindig aantal zulke punten de vormen van afmeting zijn ontstaan. Maar dit is een begoocheling, afkomstig uit de voorstelling van de ruimte; want vanuit deze voorstelling verschijnt een zodanig kleinste. Niettemin is het de waarheid dat hoe enkelvoudiger en zuiverder iets is, des te meer en des te voller het is. Dit is de oorzaak dat hoe innerlijker enig object wordt beschouwd, des te wonderlijker, volmaakter, en fraaier dingen daarin worden ontwaard; en dat zo dus in de eerste substantie de wonderlijkste, volmaaktste, en fraaiste dingen van alle zijn. Dat dit zo is, komt omdat de eerste substantie vanuit de geestelijke Zon is, welke, zoals is gezegd, uit de Heer is en waarin de Heer is. Die Zon zelf is dus de enige substantie, die omdat zij niet in de ruimte is, het al in alle dingen is, en in het grootste en het kleinste van het geschapen heelal. Daar die Zon de eerste en enige substantie is, vanuit welke alle dingen zijn, volgt dat daarin oneindig meer dingen zijn dan die welke kunnen verschijnen in de daaruit afkomstige substanties, die gesubstantieerde dingen en ten slotte materieel worden genoemd. Dat zij niet in deze kunnen verschijnen, komt omdat zij uit die Zon neerdalen in graden van tweevoudig geslacht, volgens welke alle volmaaktheden afnemen. Vandaar komt het, dat, zoals boven is gezegd, hoe innerlijker iets wordt beschouwd, des te wonderlijker, volmaakter, en fraaier dingen worden ontwaard. Dit is gezegd opdat het bevestigd wordt dat het Goddelijke in een zeker beeld is in al het geschapene, maar dat het minder en minder verschijnt bij het neerdalen door de graden heen, en nog minder wanneer de lagere graad, gescheiden van de hogere graad, door toesluiting wordt verstopt met aardse materie. Maar deze dingen kunnen wel niet anders dan duister schijnen, tenzij men de dingen heeft gelezen en verstaan die in de verhandeling over de ‘Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid’, over de geestelijke Zon, n. 83-172, over de graden, n. 173-281, en over de schepping van het heelal, n. 282-357, zijn aangetoond.

  
/ 340  
  
   Study this Passage
Table of Contents
Opdat men kan verstaan wat de Goddelijke Voorzienigheid is, en dat dit de leiding is van de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid van de Heer, is het van belang de dingen te weten die over de Goddelijke Liefde en over de Goddelijke Wijsheid in de verhandeling daarover eerder zijn gezegd en 1-26 De hemel is niet vanuit enige engelen, van de aanvang geschapen, en de hel is niet vanuit enige duivel die als ‘engel des lichts’ geschapen en uit de hemel neergeworpen werd, maar zowel de hemel als de hel zijn vanuit het menselijk geslacht; de hemel vanuit hen die in de liefde van het goede 27-45 In de Christelijke wereld is het bekend dat God de Oneindige en de Eeuwige is, want in de Leer van de Drievuldigheid, die van Athanasius de naam heeft, wordt gezegd dat God de Vader oneindig, eeuwig en almachtig is, evenzo God de Zoon en God de Heilige Geest, en dat zij evenwel niet drie 46-69 De wetten van de Goddelijke Voorzienigheid zijn de mensen onbekend. 70 Het is een wet van de Goddelijke Voorzienigheid dat de mens vanuit het vrije volgens de rede zal handelen. 71-99 Het is de Wet van de Goddelijke Voorzienigheid dat de mens zoals vanuit zich de boze dingen als zonden in de uitwendige mens zal verwijderen, en dat zo en niet anders de Heer de boze dingen kan verwijderen in de innerlijke mens en dan tegelijk in de uitwendige. 100-128 Het is een wet van de Goddelijke Voorzienigheid dat de mens niet door uitwendige middelen zal worden gedwongen om te denken en te willen en dus zo om te geloven en lief te hebben die dingen die van de godsdienst zijn; maar dat de mens zichzelf daartoe zal leiden en soms zal dwingen. 129-153 Het is een Wet van de Goddelijke Voorzienigheid dat de mens uit de Heer vanuit de hemel geleid en geleerd zal worden, door het Woord, de Leer en de predikingen hieruit, en dit in alle schijn zoals uit zichzelf. 154-174 De natuurlijke mens die de Goddelijke Voorzienigheid niet gelooft, denkt bij zichzelf: wat is Goddelijke Voorzienigheid wanneer boze mensen tot ereposten worden verheven en schatten gewinnen meer dan de goede mens, en dat vele dergelijke dingen degenen gelukken die de Goddelijke Voorzienigheid 175-190 Er is niet iets zoals de eigen voorzichtigheid; het schijnt alleen dat die er is en ook schijnen moet of die er is; maar de Goddelijke Voorzienigheid is universeel omdat het is in de meest afzonderlijke dingen. 191-213 De Goddelijke Voorzienigheid beschouwt de eeuwige dingen en de tijdelijke dingen niet anders dan voor zoveel als die samenstemmen met de eeuwige. Dat de Goddelijke Voorzienigheid de eeuwige dingen beschouwt en de tijdelijke dingen niet anders dan voor zoveel als die één maken met de eeuwige, 214-220 De mens wordt niet innerlijk binnengelaten in de ware dingen van het geloof en in de goede dingen van de naastenliefde tenzij voor zoveel als hij daarin gehouden kan worden tot aan het einde van zijn leven. 221-233 De ‘wetten van de toelating’ zijn ook de wetten van de Goddelijke Voorzienigheid. 234-274 Boze dingen worden toegelaten ter wille van het einddoel en dit is de zaliging. Indien de mens in de liefde waarin hij geschapen is, geboren zou worden, zou hij niet in enig boze zijn, ja zelfs ook niet weten wat het boze is; want wie niet in het boze is geweest en vandaar niet in het boze is, 275-284 De Goddelijke Voorzienigheid is evenzeer bij de bozen als bij de goeden. 285-307 De Goddelijke Voorzienigheid eigent niemand het boze noch iemand het goede toe, maar de eigen voorzichtigheid eigent beide toe. Het wordt bijna door eenieder geloofd dat de mens denkt en wil vanuit zich en vandaar spreekt en handelt vanuit zich. 308-321 Elk mens kan hervormd worden en er is niet zoiets als een voorbeschikking. 322-330 De Heer kan niet handelen tegen de wetten van de Goddelijke Voorzienigheid, omdat daar tegen handelen zou zijn handelen tegen Zijn Goddelijke Liefde en tegen Zijn Goddelijke Wijsheid, en zo dus tegen Zichzelf. 331-340
From Swedenborg's Works

Inbound References:

Conjugial Love 87

Goddelijke Voorzienigheid 82


   Swedenborg Research Tools


Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl


Translate: