From Swedenborg's Works

 

Over de Gemeenschap Tussen Ziel en Lichaam #2

Study this Passage

        
/ 20  
  

2. Aangezien geestelijke invloed zijn grondslag heeft in het beginsel van orde en haar wetten, zoals hiervoor is gezegd, werd de desbetreffende opvatting door de wijze mannen in de geleerde wereld bij voorkeur boven de beide andere hypothesen erkend en aangenomen.

Alles wat zijn oorsprong heeft in de orde is waarheid, en waarheid heeft een inwonend licht, waardoor zij zichzelf toont; ook in de schaduw van het verstand, waarin de hypothesen zijn. Er zijn bovendien nog drie omstandigheden die de hypothese van de geestelijke invloed in duisternis hullen: onkunde van wat de ziel is, onkunde van wat geestelijk is, en onkunde van de aard en manier van invloeiing. Daarom is het noodzakelijk dat deze drie punten eerst duidelijk gemaakt worden, voordat het verstand de waarheid zelf kan zien. Want een hypothese of veronderstelde waarheid is nog geen werkelijke waarheid, maar slechts een gissen naar waarheid. Ze is als een schilderij dat aan een wand hangt en 's nachts bij het licht van de sterren wordt gezien, waaraan de gedachten verschillende vormen toeschrijven, al naargelang hun vermoeden. Het wordt helemaal anders wanneer 's morgens het volle licht van de zon erop schijnt en niet alleen de algemene omtrekken ervan openbaart, maar ook de verschillende delen afzonderlijk en duidelijk van elkaar laat onderscheiden. Zo komt er uit de schaduw van waarheid, waarin deze hypothese gehuld is, een heldere duidelijke waarheid tevoorschijn wanneer men leert kennen wat en van welke aard het geestelijke is met betrekking tot het natuurlijke, wat en van welke aard de menselijke ziel is, en wat de aard is van de invloeiing die in de ziel en hierdoor in de waarnemende en denkende geest vloeit en hieruit in het lichaam. Dit kan evenwel door niemand worden verklaard, wanneer het hem iet door de Heer is vergund om met de engelen in de geestelijke wereld en tegelijkertijd met de mensen in de natuurlijke wereld om te gaan. En aangezien dit aan mij geschonken werd, ben ik in staat gesteld om te beschrijven wat en van welke aard het een en ander is, en dit is gebeurd in de Gedenkwaardigheden (vertellingen) in het werk over de 'Echtelijke Liefde':

Over het geestelijke in Echtelijke Liefde 326-329
over de menselijke ziel in Echtelijke Liefde 315
en over de invloeiing in Echtelijke Liefde 380
en meer volledig in Echtelijke Liefde 415-422.
Wie weet niet, of tenminste kan niet weten, dat het goede van de liefde en het ware van het geloof de mens van God toevloeien; dat deze in zijn ziel vloeien en merkbaar gevoeld worden in zijn gemoed, en dat ze uit het denken in woorden en uit het willen in daden voortvloeien? Dat de geestelijke invloeiing hierin haar oorsprong en afkomst heeft, zal met de volgende orde worden aangetoond:

I. Er zijn twee werelden: één geestelijke wereld, waarin geesten en engelen zijn, en één natuurlijke wereld, waarin mensen zijn.

II. De geestelijke wereld is ontstaan en bestaat voort vanuit haar eigen zon, en de natuurlijke wereld vanuit de hare.

III. De zon van de geestelijke wereld is zuivere liefde uit JHVH God, die in het midden daarvan is.

IV. Uit die zon komen warmte en licht voort; de warmte die van haar uitgaat is in haar wezen liefde, en het licht dat uit haar schijnt is in zijn wezen wijsheid.

V. Die warmte evenals dat licht vloeien in de mens: de warmte in zijn wil, en brengt daar het goede der liefde voort, en het licht in zijn verstand, waardoor het ware der wijsheid voortgebracht wordt.

VI. Deze beide, warmte en licht, of liefde en wijsheid, vloeien met elkaar verbonden vanuit God in de ziel van de mens en door de ziel heen in zijn gemoed - in de geneigdheden en gedachten daarvan; en van hieruit in zijn lichamelijke zintuigen - in spraak en handelingen.

VII. De zon van de natuurlijke wereld is louter vuur, en door deze zon is de natuurlijke wereld ontstaan en blijft zij voortbestaan.

VIII. Daaruit volgt dat alles wat uit deze zon voortkomt, op zichzelf beschouwd, levenloos is.

IX. Het geestelijke bekleedt zich met wat natuurlijk is, zoals een mens zich met een gewaad bekleedt.

X. Het zo beklede geestelijke in de mens maakt dat hij redelijk en zedelijk, dat wil zeggen als een geestelijk-natuurlijk mens kan leven.

XI. Het opnemen van die invloeiing gebeurt overeenkomstig de staat van liefde en wijsheid in de mens zelf.

XII. Het verstand van de mens kan in het licht worden verheven, dat wil zeggen in de wijsheid waarin de engelen van de hemel zijn, al naargelang de graad van zijn verstandelijke ontwikkeling, en zijn wil kan ook worden verheven in de warmte, dat wil zeggen in de liefde, al naargelang de daden van zijn leven; maar de liefde van zijn wil wordt slechts in zoverre verheven als een mens wil en doet wat de wijsheid van het verstand hem leert.

XIII. Bij de dieren is het geheel anders.

XIV.Er zijn drie graden in de geestelijke wereld en drie graden in de natuurlijke wereld, volgens welke alle invloeiing plaats heeft.

XV. In de eerste graad zijn doeleinden, in de tweede oorzaken, en in de derde gevolgen.

XVI. Uit het voorgaande wordt duidelijk wat de aard van de geestelijke invloeiing is, vanaf haar oorsprong tot aan haar werking.

Elk van de bovengenoemde stellingen zal nu tot onderwerp van een korte verklaring gemaakt worden.

I. Er zijn twee werelden: een geestelijke wereld waarin geesten en engelen zijn, en een natuurlijke wereld, waarin mensen zijn.

  
/ 20  
  
   Study this Passage
Table of Contents
Over de GEMEENSCHAP TUSSEN ZIEL EN LICHAAM, of over de werking van de een op het ander en van de een met het ander, bestaan er drie opvattingen en overleveringen, die hypothesen zijn. Deze drie opvattingen zijn bekend onder de volgende namen: 1-2 Dat er een geestelijke wereld is waarin geesten en engelen zijn, verschillend van de natuurlijke wereld waarin de mensen zijn, was tot op heden zelfs in het christendom geheel onbekend. 3 Er is een eigen zon voor de geestelijke wereld, en een andere voor de natuurlijke wereld. De reden hiervoor is dat die twee werelden volkomen verschillend zijn. En behalve dat: een wereld als zodanig ontleent haar oorsprong aan een zon. 4 Wat geestelijk is, kan uit niets anders voortkomen dan uit liefde, en de liefde uit geen andere bron dan uit JHVH God, die de liefde zelf is. Daarom is de zon van de geestelijke wereld, waaruit alle geestelijke dingen voortvloeien als uit hun bron, zuivere liefde die voortvloeit uit JHVH God. 5 Het is welbekend dat in de Bijbel, en daardoor in de gebruikelijke spreektrant van predikanten, de Goddelijke liefde door vuur wordt uitgedrukt, bijvoorbeeld: dat het hemelse vuur de harten moge vervullen en heilige begeerten moge doen ontbranden voor de aanbidding van God! De reden hiervoor is 6 Het is welbekend dat in het algemeen alle dingen in relatie staan tot het goede en het ware, en dat er geen enkel wezen bestaat waarin niet iets is dat op die twee betrekking heeft. 7 Tot hiertoe werd de geestelijke influx van de ziel in het lichaam door mannen van ontwikkeld talent onderwezen, maar nog niet een influx in de ziel zelf en via de ziel in het lichaam; ofschoon het welbekend is dat al het goede van de liefde en al het ware van het geloof vanuit God in de mens 8 Dat de natuur en haar wereld - waarmee bedoeld worden de atmosferen en de aardbollen, planeten genoemd, waaronder begrepen is de aardbol waarop wij wonen, samen met alles en ieder ding dat van jaar tot jaar haar oppervlak met schoonheid bekleedt - dat dit alles, zeg ik, alleen bestaat vanuit de 9 Welk mens ziet niet met zijn verstand, wanneer dat een beetje wordt verheven boven de zinnelijke dingen die tot zijn lichaam behoren, dat liefde op zichzelf beschouwd levend is, dat de aanwezigheid van haar vuur het leven is, en dat omgekeerd elementair vuur op zichzelf beschouwd betrekkelijk 10 Het is welbekend dat er in iedere werking een actief en een passief beginsel is, en ook dat er door het actieve alleen niets tot stand komt, net zo min als door iets dat alleen passief is. Dit is ook het geval met het geestelijke en natuurlijke. 11 Dit is de gevolgtrekking uit de hierboven aangetoonde grondstelling dat de ziel zich bekleedt met een lichaam, net zoals de mens zich met een gewaad bekleedt. Want de ziel vloeit in het menselijke gemoed en van daaruit in het lichaam; zij brengt het leven dat zij zonder onderbreking van de Heer 12 Hierboven is aangetoond dat een mens niet zelf leven is, maar een orgaan dat leven vanuit God opneemt; dat liefde, met wijsheid samen verenigd, leven is, en dat God de liefde zelf en de wijsheid zelf, en dus het leven zelf is. 13 Onder het menselijke gemoed worden twee vermogens verstaan, die verstand en wil genoemd worden. Het verstand is het receptakel voor het licht van de hemel dat in zijn wezen wijsheid is, en de wil is het receptakel voor de warmte van de hemel die in haar wezen liefde is, zoals hierboven werd 14 Zij die alleen oordelen naar de schijn die de zintuigen waarnemen, komen tot de konklusie dat dieren net als mensen wil en verstand bezitten, en dat daarom het verschil tussen beide alleen hierin bestaat dat de mens kan spreken en daardoor de dingen die hij denkt en begeert kan aangeven, terwijl 15 Door de oorzaken vanuit hun gevolgen te onderzoeken ontdekt men dat er twee soorten graden zijn. Volgens de ene bestaan vroegere en latere dingen, en volgens de andere grotere en kleinere dingen. 16 Wie kan niet zien dat het einddoel de oorzaak niet is, maar dat de oorzaak het teweeg brengt? En dat de oorzaak niet het gevolg is, maar het gevolg veroorzaakt? En dat er dus drie verschillende dingen zijn, die elkaar in orde opvolgen? Het einddoel bij de mens is de liefde van zijn wil, want wat 17 Tot dusverre heeft men een geestelijke invloeiing van de ziel in het lichaam aangenomen, maar niet vanuit God in de ziel en van daaruit in het lichaam. Dit gebeurde omdat niemand enige kennis had van de geestelijke wereld noch van de zon die daar is, waaruit alle geestelijke dingen als uit hun 18-20

Published by Swedenborg Boekhuis.

From Swedenborg's Works

 

Echtelijke Liefde #315

Study this Passage

        
/ 535  
  

315. Aan deze dingen zal ik twee gedenkwaardige ervaringen toevoegen.

De eerste is deze: eens zag ik niet ver van mij vandaan een luchtverschijnsel; ik zag een wolk opgedeeld in wolkjes, waarvan er enige blauw en andere donker waren; ik zag die als het ware tegen elkaar botsen, waarbij er stralen in strepen glinsterden, soms zagen ze er scherp uit, als de punt van een degen, soms ook stomp, zoals een gebroken zwaard.

De strepen schoten nu eens naar voren en dan weer trokken zij zich terug, net als boksers; zo schenen die verschillend gekleurde wolkjes als het ware met elkaar te vechten, maar zij speelden slechts.

Omdat dit luchtverschijnsel zich niet ver van mij af vertoonde, keek ik omhoog en spande mijn blik in; ik zag jongens, jongemannen en oude mannen die een huis binnengingen dat was opgetrokken uit marmer en een onderbouw had van porfier; en boven dat huis had dat verschijnsel plaats.

Ik sprak een van de mannen die binnentraden aan en vroeg: ‘Wat gebeurt daar?’

Hij antwoordde: ‘Het is een filosofenschool, waar de jongemannen worden ingewijd in de verschillende zaken die tot de wijsheid behoren. ’

Toen ik dit had gehoord, ging ik met hen naar binnen; ik was in de geest, dat wil zeggen, in eenzelfde staat als waarin de mensen in de geestelijke wereld zijn, die geesten en engelen worden genoemd.

En zie, in die filosofenschool stond vooraan een katheder, in het midden banken, aan de zijden rondom stoelen en boven de ingang was een balkon; de katheder was voor de jongemannen die ditmaal een voor te leggen vraagstuk zouden beantwoorden.

De banken waren voor de toehoorders, de stoelen aan de zijden voor hen die eerder wijs hadden geantwoord en het balkon voor de ouderen die arbiters en rechters zouden zijn; in het midden van het balkon was een tribune, waar een wijze man zat, die zij de hoofdleraar noemden; deze legde de vraagstukken voor waarop de jongemannen vanaf de katheder zouden antwoorden.

Nadat zij allen bijeen waren gekomen, stond de man van de tribune op en zei: ‘Beantwoordt nu, verzoek ik u, dit vraagstuk en los het op als u kunt: Wat is de ziel en welke hoedanigheid heeft zij. ’

Toen men dit hoorde verbaasden allen zich en mompelden en enigen uit de menigte op de banken riepen uit: ‘Wie van de mensen vanaf het Saturnische tijdperk tot op onze huidige tijd toe heeft met een redelijke gedachte kunnen zien en benaderen wat de ziel is, laat staan hoedanig zij is; is dit niet boven de sfeer van het verstand van allen?’

Maar hierop gaven zij van het balkon ten antwoord: ‘Dit gaat het verstand niet te boven, maar is erin en ervoor; dus antwoordt u maar. ’

De jongemannen die voor deze dag waren uitgekozen om de katheder te beklimmen en op het vraagstuk te antwoorden, stonden toen op; het waren er vijf; zij waren door de ouderen onderzocht en met scherpzinnigheid begaafd gevonden; zij zaten aan weerszijden van de katheder op rustbanken.

Toen beklommen zij in volgorde zoals zij zaten de katheder, en wanneer iemand omhoog klom trok hij een tunica aan uit zijde met een opalen kleur en daaroverheen een toga uit zachte wol waarin bloemen waren geweven; bovendien bedekte men zijn hoofd met een hoed waarop een krans met rozen was die rondom bezet was met kleine saffieren.

Ik zag toen de eerste zo gekleed naar boven gaan en hij zei: ‘Wat de ziel is en hoe zij is, is van de dag vanaf de schepping aan niemand onthuld; het is een verborgenheid uit de schatkamers van de enige God; maar dit is wel onthuld: dat de ziel in de mens als een koningin zetelt; waar echter haar hof is, daarnaar hebben de geleerde zieners gegist; sommigen beweren dat het een klein knobbeltje is tussen de grote en de kleine hersenen, wat men de pijnappelklier noemt. Hierin meenden zij dat de zetel van de ziel was, dit omdat hier vandaan de hele mens wordt geregeerd door dat tweetal hersenen en dat dit knobbeltje dit bestuurt; daarom, datgene wat de hersenen naar zijn wensen bestuurt, neemt ook beslissingen over de gehele mens van hoofd tot hiel. ’

Hij zei verder: ‘Destijds kwam dit velen in de wereld als waar of waarschijnlijk voor, maar in latere eeuwen is dit als een verzinsel verworpen. ’

Nadat hij dit had gezegd, legde hij toga, tunica en hoed af, die de tweede van de uitgekozen jongemannen aannam, en toen betrad deze de katheder.

De uitspraak van hem over de ziel was, dat in de gehele hemel en in de hele wereld men niet weet wat de ziel is en hoedanig zij is.

‘Men weet alleen dat zij bestaat en dat zij in de mens is; maar waar, daarnaar kan slechts worden gegist; dit is zeker dat zij in het hoofd is, aangezien het verstand daar denkt en de wil zich daar inspant, en bovendien zijn van voren in het aangezicht van het hoofd de vijf zetels van de zintuigen van de mens; alleen aan deze zinnen kan de ziel maar het leven geven, die vanbinnen in het hoofd zetelt; maar waar ergens daar haar zetel is, waag ik niet uit te spreken, eerder heb ik soms ingestemd met hen die haar een zetel toewezen in de drie hersenholten; de ene keer met hen die het in de gestreepte knobbels daar stelden, dan weer met hen die het stelden in de ruggenmergsubstantie van de ene en de andere hersenhelft, dan weer met hen die het in de substantie van de hersenschors stelden, dan weer met hen die de zetel stelden in het dikke hersenvlies.

Het ontbrak immers zogezegd niet aan de witte stemsteentjes, ten gunste van de bevestigingen van welke zetel ook; de argumenten ten gunste van de drie holten in het brein waren, dat die ontvangstruimten zijn van de animale geesten en van de lymfe van alle delen van de hersenen; de stemmen ten gunste van de gestreepte knobbels waren, dat deze het merg maken waardoor de zenuwen naar buiten gaan en waardoor beide hersenhelften zich voortzetten in de ruggengraat, en hiervan stromen de vezels uit, waaruit het hele lichaam is samengeweven; de stemsteentjes ten gunste van de mergsubstantie van beide hersenhelften waren, dat die een verzameling en opeenhoping is van alle vezels, die het eerste begin vormen van de gehele mens.

De witte stemsteentjes ten gunste van de substantie van de hersenschors waren, dat daar de eerste en de laatste einddoelen zijn en vandaar de beginselen van alle vezels, en zo van de zinnen en de bewegingen.

De stemsteentjes voor het dikke hersenvlies waren dat dit de gemeenschappelijke bedekking van beide hersenhelften is, dat zich van daar door een bepaalde voortzetting zich uitstrekt over het hart en over de ingewanden van het lichaam.

Wat mij betreft, ik spreek mij niet méér uit voor het ene dan voor het andere; ik verzoek u, uzelf uit te spreken en te kiezen wat de voorkeur heeft. ’

Toen hij dit gezegd had daalde hij van de katheder af en gaf de tunica, de toga en de hoed aan de derde jongeman.

Toen deze de katheder beklommen had, sprak hij het volgende: ‘Past het mij wel, dat ik als jongeman, zo’n verheven onderwerp bespreek? Ik doe een beroep op de geleerden die hier aan de zijden zitten en ik doe een beroep op u, wijze mannen, op het balkon; ja, ik doe een beroep op de engelen van de hoogste hemel, of iemand vanuit zijn eigen redelijke licht enig idee kan hebben over de ziel; maar ten aanzien van de zetel van haar in de mens kan ik evenals de anderen een vermoeden uitspreken.

Ik vermoed dat het in het hart en vandaar in het bloed is; dit is mijn vermoeden omdat het hart met het bloed zowel het lichaam als het hoofd regeert; het zendt immers het grote bloedvat, dat men de aorta noemt, uit in het gehele lichaam, en het zendt vaten, die de halsslagaders worden genoemd, uit in het gehele hoofd; vandaar stemt men in het algemeen daarin overeen dat de ziel van het hart uit, door het bloed, het gehele organische systeem, zowel van het lichaam als van het hoofd, ondersteunt, voedt, en levend maakt.

Tot de geloofwaardigheid van deze bewering draagt nog dit bij, dat in de Heilige Schrift zo vaak wordt gesproken van ziel en hart, zoals dat gij God zult liefhebben uit de ganse ziel en uit het ganse hart, en dat God in de mens een nieuwe ziel en een nieuw hart schept, (Deuteronomium 6:5; 10:12; 11:13; 26:16; Jeremia 32:41; Mattheus 22:37; Marcus 12:30, 33; Lucas 10:27); en elders; en in Leviticus wordt openlijk gezegd dat het bloed de ziel van het vlees is, (Leviticus 27:11, 14). ’

Na dit te hebben gehoord, verhieven enigen hun stem en zeiden: ‘Knap gesproken en geleerd. ’ Zij waren van de geestelijkheid.

Hierna zei de vierde jongeman, nadat hij de klederen had aangetrokken en de katheder had betreden: ‘Ook ik heb het vermoeden dat niemand zo’n subtiel en gescherpt vernuft heeft dat hij kan uitvorsen wat de ziel is en van welke hoedanigheid zij is; daarom vind ik dat bij hem die haar wil navorsen de fijnzinnigheid zich nodeloos aftobt.

Niettemin ben ik vanaf jonge leeftijd steeds in het geloof gebleven van de opvatting waarin de Ouden zijn geweest, namelijk dat de ziel van de mens in het geheel van hem is en in elk deel van dit geheel en dus zowel in het hoofd en in de afzonderlijke delen daarvan, als in het lichaam en in de afzonderlijke delen daarvan.

Het is een door de moderne mens uitgevonden zinledigheid om haar ergens een zetel in een speciale plaats aan te wijzen, en niet overal; ook is de ziel een geestelijke substantie, en daarom kan niet worden gesproken van uitbreiding noch van plaats, maar van bewoning en vervulling.

Bovendien bedoelt men niet het leven, als men over de ziel spreekt? Is niet het leven in het geheel en in elk deel?’

Hieraan schonken velen in het gehoor bijval.

Na deze stond de vijfde jongeman op en, met dezelfde onderscheidingen getooid, sprak hij vanaf de katheder: ‘Ik sta er niet bij stil te zeggen waar de ziel is, of zij in enig deel is dan wel of zij overal in het geheel is; maar uit mijn voorraadkamers zal ik mijn menig geven over de vraag wat de ziel is en hoedanig zij is.

Niemand denkt zich de ziel anders dan zoals iets zuivers dat lijkt op ether of lucht of wind, waarin een levenskracht is door de redelijkheid, die de mens op de dieren vóór heeft.

Deze mening heb ik hierop gegrond dat van de mens als hij de laatste adem uitblaast, wordt gezegd dat hij de ziel of de geest uitblaast of geeft; vandaar ook gelooft men dat de levende ziel na de dood zo’n adem is, waarin het denkleven is, wat de ziel wordt genoemd; wat kan de ziel anders zijn?

Maar omdat ik u van het balkon heb horen zeggen dat het vraagstuk van de ziel, wat zij is en hoe zij is, niet boven het verstand is maar daarin en ervóór, zo vraag en smeek ik u dat uzelf deze verborgenheid onthult. ’

De ouderen op het balkon keken naar de hoofdleraar die dat vraagstuk had voorgelegd, en deze begreep uit hun hoofdknikken dat zij wensten dat hij zou afdalen en onderwijzen. Onmiddellijk daalde hij van de tribune af, liep de gehoorzaal door en betrad de katheder, en terwijl hij zijn hand uitstrekte, zei hij: ‘Luistert, verzoek ik u allen, wie gelooft niet dat de ziel het binnenste en subtielste wezen van de mens is? En wat is een wezen zonder de vorm anders dan een denkbeeldig wezen? Daarom is de ziel een vorm, en hoe die vorm is zal nu worden gezegd.

Zij is de vorm van alle dingen van de liefde en van alle dingen van de wijsheid; alle dingen van de liefde worden aandoeningen genoemd en alle dingen van de wijsheid worden doorvattingen genoemd; de laatste komen voort uit de eerste en samen maken zij één vorm, waarin ontelbare dingen in zo’n orde, reeks, en samenhang zijn, dat zij één kunnen worden genoemd; zij kunnen ook één worden genoemd omdat niet iets daaruit kan worden weggenomen, noch iets daaraan kan worden toegevoegd om zodanig te zijn.

Wat is de menselijke ziel anders dan zo’n vorm? Zijn niet alle dingen van de liefde en alle dingen van de wijsheid de wezenlijke dingen van die vorm? En deze zijn bij de mens in de ziel, en uit de ziel in het hoofd en het lichaam. U allen, u wordt geesten en engelen genoemd, en u hebt in de wereld geloofd dat geesten en engelen alleen gemoederen zijn, en dus zoals windvlagen of ether.

Nu ziet u duidelijk dat u echt, werkelijk en daadwerkelijk mensen bent die in de wereld hebben geleefd en gedacht in een materieel lichaam; en u hebt geweten dat niet het materiële lichaam leeft en denkt, maar de geestelijke substantie in dat lichaam; deze heeft u de ziel genoemd, waarvan u de vorm niet wist, en toch heeft u die nu gezien en ziet hem nu nog.

U allen bent zielen; over de onsterfelijkheid ervan heeft u veel gehoord, gedacht, gezegd en geschreven; en omdat u vormen van liefde en wijsheid uit God bent, kunt u niet sterven tot in het eeuwige.

De ziel is dus de menselijke vorm, waarvan niet het geringste kan worden afgenomen en waaraan niet het minste kan worden toegevoegd; zij is de binnenste vorm van alle vormen van het gehele lichaam; en omdat de buitenste vormen van de binnenste zowel het wezen als de vorm ontvangen, bent u daardoor zoals u voor uzelf en voor ons verschijnt, zielen.

In één woord, de ziel is de mens zelf, omdat zij de binnenste mens is; en daarom is haar vorm volledig en volmaakt de menselijke vorm; zij is echter niet het leven, maar zij is de ontvanger van het leven uit God, en zo de woonplaats van God. ’

Velen juichten deze woorden toe, maar enigen zeiden: ‘Wij zullen het in overweging nemen. ’

Ik ging toen naar huis, en zie, boven die filosofenschool verscheen in de plaats van het eerdere luchtverschijnsel een blinkend witte wolk, zonder strepen of stralen die met elkaar vochten. Deze wolk doordrong het dak, ging het gebouw binnen en verlichtte de wanden.

Ik hoorde dat zij schrifttekens zagen, en onder meer ook dit: Jehova God blies in de neusgaten van de mens de ziel des levens in, en de mens werd tot een levende ziel, (Genesis 2:7).

  
/ 535  
  
   Study this Passage
Table of Contents
DE VERRUKKINGEN VAN DE WIJSHEID toebehorend aan DE ECHTELIJKE LIEFDE 1-26 Dat er huwelijken in de hemel zijn, kan niet het geloof binnengaan van hen die geloven dat de mens een ziel of een geest is na de dood en die over de ziel en de geest een voorstelling koesteren zoals van een ijle ether of een ademtocht; en verder die geloven dat de mens pas als mens zal leven na 27-44 Dat er huwelijken in de hemel zijn, is vlak hiervoor getoond; hier nu wordt daarover gehandeld of het echtelijke verbond dat in de wereld was gesloten, na de dood al dan niet zal blijven standhouden. 45-56 De echtelijke liefde is van een oneindige verscheidenheid; zij bestaat niet eender bij de ene mens, hoedanig zij is bij de andere; het schijnt weliswaar alsof zij hetzelfde is bij velen, maar dat schijnt zo voor het oordeel van het lichaam en de mens heeft uit dit oordeel slechts weinig 57-82 De oorsprong van de echtelijke liefde zijn innerlijke en uiterlijke en de innerlijke zijn er verscheidene, evenzo de uiterlijke; maar de binnenste of universele oorsprong van alle is één enkele; dat deze het huwelijk van het goede en het ware is, en dit zal in wat volgt worden aangetoond. 83-115 Dat over het Huwelijk van de Heer en de Kerk en over de overeenstemming ervan hier eveneens wordt gehandeld, komt omdat zonder de wetenschap en het inzicht daarover nauwelijks iemand kan weten dat de echtelijke liefde in haar oorsprong heilig, geestelijk en hemels is en dat zij uit de Heer is. 116-137 Aangezien ik nog op de drempel ben van de verhandeling over de echtelijke liefde in het bijzonder, en de echtelijke liefde in het bijzonder niet dan op niet onderscheiden en dus op duistere wijze kan worden gekend, tenzij ook enigermate het tegengestelde ervan, namelijk het onkuise verschijnt 138-156 157. I. Dat vanaf de schepping in het ene en het andere geslacht het vermogen en de neiging is geënt dat zij zoals één verbonden kunnen en willen worden. 156b-183 Wat onder de staten van het leven en onder de veranderingen ervan wordt verstaan, is de geleerden en de wijzen overbekend, maar het is de ongeletterden en de eenvoudigen onbekend; en daarom moet hierover vooraf iets worden gezegd. 184-208 Ten aanzien van het huwelijk zijn er zeer vele onderwerpen en indien deze in het bijzonder werden behandeld, dan zou dit werkje tot een lijvig boekdeel aanzwellen; in het bijzonder immers kan er worden gehandeld over de gelijkheid en de ongelijkheid tussen de echtelieden; over de verheffing van 209-233 Hier, waar over de oorzaken van de koude in een huwelijk wordt gehandeld, wordt ook over de oorzaken van scheidingen en eveneens van echtscheidingen gehandeld; de reden hiervan is deze dat zij samenhangen. 234-270 Aangezien over de oorzaken van koude en van scheiding is gehandeld, zo brengt de orde met zich mee dat ook over de oorzaken van de schijnliefde, schijnvriendschap en schijnwelwillendheid in het huwelijk wordt gehandeld. 271-294 Over verlovingen en bruiloften en eveneens over de bijbehorende plechtigheden, wordt hier voornamelijk vanuit de verstandelijke rede gehandeld; immers, de dingen die in dit boek zijn geschreven, hebben ten doel dat de lezer vanuit zijn redelijke de waarheden zal zien en daar dan mee zal 295-316 Men zou kunnen aanvoeren of de echtelijke liefde, dus van één man met één echtgenote, na de dood van een partner kan worden gescheiden of overgeschreven of toegevoegd en verder ook of de huwelijken die opnieuw zijn aangegaan iets gemeen hebben met polygamie en of zij zo opeenvolgende 317-331 Indien de oorzaak wordt nagegaan waarom de polygame huwelijken uit de christelijke wereld volledig zijn verbannen, kan die door niemand, hoezeer ook toegerust met de gave om met scherpzinnigheid de zaak te beschouwen, helder worden gezien, tenzij hij tevoren is onderricht: dat er een waarlijk 332-356 Er wordt gehandeld over jaloersheid, omdat die ook behoort tot de echtelijke liefde; maar er is een gerechte en een ongerechte jaloersheid; de gerechte jaloezie is bij echtelieden die elkaar wederzijds liefhebben. 357-384 Er zijn aanwijzingen die tonen dat de echtelijke liefde en de liefde voor kleine kinderen, die ‘storge’ wordt genoemd, verbonden zijn; en eveneens zijn er aanwijzingen die het geloof kunnen bijbrengen dat zij niet verbonden zijn; er bestaat immers liefde voor kleine kinderen bij echtelieden 385-422 Op deze drempel moet eerst worden onthuld wat in dit hoofdstuk onder de losbandige liefde wordt verstaan: niet wordt verstaan de ontuchtige liefde, die aan het huwelijk voorafgaat, noch die welke daarop volgt na de dood van de partner, noch een concubinaat dat uit wettige, gerechte en geldige 423-444 444b. ONTUCHT 444b-461 In het voorgaande hoofdstuk, waar over ontucht is gehandeld, is ook over het pellicaat gehandeld en daaronder werd verstaan de verbinding van een ongehuwde man met een vrouw, hier wordt gehandeld over het concubinaat en daaronder wordt verstaan de buitenechtelijke verbinding van een gehuwde man 462-477 Niemand kan weten dat er in echtbreuk enig boze is, die daarover alleen vanuit de uiterlijke dingen oordeelt; daarin immers is zij eender aan het huwelijk. 478-500 De lusten waarover in de hiernavolgende vier hoofdstukken wordt gehandeld, zijn niet alleen lusten van echtbreuk, maar zwaarder dan die, aangezien zij niet voorkomen dan alleen uit echtbreuk, want zij worden begaan nadat men van echtbreuk is gaan walgen; zoals de lust tot ontmaagden, waarover 501-505 DE LUST VOOR AFWISSELING 506-510 Onder de lust tot verkrachting wordt niet verstaan de lust tot ontmaagding; deze lust is de verkrachting van de maagdelijkheid, maar niet van de maagd als dit plaatsvindt met inwilliging; maar de lust tot verkrachting, waarover hier wordt gehandeld, treedt terug bij toestemming en wordt 511-512 De lust tot het verleiden van onschuldige vrouwen is niet de lust om te ontmaagden, noch de lust om te verkrachten, maar heeft zijn eigen aard en staat apart op zichzelf en komt vooral voor bij sluwe personen. 513-514 Hier zou ik iets vooraf moeten zeggen over de overeenstemming, wat die is, maar dit behoort niet tot dit werk. 515-522 De Heer zegt: ‘Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt’, (Mattheüs 7:1); waaronder geenszins wordt verstaan het oordeel over het zedelijk en burgerlijk leven in de wereld van iemand, maar het oordelen over het geestelijk en hemels leven van iemand. 523-535
From Swedenborg's Works

Inbound References:

Echtelijke Liefde 326

Over de Gemeenschap Tussen Ziel en Lichaam 2, 18


   Parallel Passages:

Ware Christelijke Religie 697


   Swedenborg Research Tools

Related New Christian Commentary


Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl


Translate: