From Swedenborg's Works

 

Hemel en Hel #347

Study this Passage

  
/ 603  
  

347. Hemels inzicht is innerlijk inzicht, komende uit de liefde voor het ware, niet terwille van wereldse roem, evenmin terwille van hemelse roem, maar alleen terwille van de waarheid zelf, waarmee zij innerlijk worden aangedaan en verheugd. Zij die aangedaan en verheugd worden door de waarheid zelf, worden aangedaan en verheugd door het licht van de hemel; en zij die aangedaan en verheugd worden door het licht van de hemel worden ook aangedaan en verheugd door de Goddelijke waarheid, ja wat meer zegt, door de Heer zelf; want het licht van de hemel is Goddelijke waarheid en Goddelijke waarheid is de Heer in de hemel (zie nr. 126 en 140). it licht komt slechts in het binnenste van het gemoed, want het binnenste van het gemoed is gevormd om dat licht te ontvangen, en als het daarin komt, doet het ook aan en verheugt het, omdat alles wat uit de hemel invloeit en ontvangen wordt, in zichzelf genoegen en bekoorlijkheid meebrengt. Daaruit komt de echte genegenheid voor het ware, die de genegenheid is voor het ware ter wille van het ware zelf Zij die in deze genegenheid zijn, of wat hetzelfde is, in deze liefde verkeren, zijn in het hemelse inzicht, en blinken in de hemel als de glans van het uitspansel. Zij blinken zo, omdat de Goddelijke waarheid, waar die ook in de hemel is, licht geeft. (zie nr. 132)Het uitspansel van de hemel betekent volgens de overeenstemming, zowel hij de engelen als bij de mensen, het innerlijke inzicht dat in het licht van de hemel is. Maar zij, die in de liefde van de waarheid zijn ter wille van wereldse roem of ter wille van hemelse roem, kunnen niet in de hemel blinken, omdat zij niet verheugd en aangedaan worden door het werkelijke licht van de hemel, maar door het licht van de wereld. Dit licht zonder het andere is in de hemel louter duisternis. Want hier overheerst de eigenroem omdat die het einddoel is, en als eigenroem het einddoel is, let de mens in de eerste plaats op zichzelf, en de waarheden die tot zijn roem dienen, beschouwt hij slechts als de middelen en als dienstbare werktuigen. Want hij die de Goddelijke waarheden liefheeft ter wille van zijn eigen roem, acht op zichzelf in de Goddelijke waarheden, maar niet op de Heer. Om deze redenen wendt hij het gezicht, namelijk het gezicht van zijn verstand en geloof van de hemel naar de wereld, en van de Heer naar zichzelf Zulke personen zijn daarom in het licht van de wereld en niet in het licht van de hemel. Naar het uiterlijke, dus naar het oordeel van de mensen, schijnen zij even geleerd en verstandig als zij die in het licht van de hemel zijn, omdat zij evenzo spreken, en soms naar het schijnt zelfs verstandiger; want zij worden door eigenliefde aangewakkerd en geleerd de schijn van hemelse neigingen aan te nemen, maar innerlijk en zoals de engelen hen zien, zijn zij van een geheel ander karakter. Hieruit is het in zekere mate duidelijk wie zij zijn, die bedoeld worden door de inzichtvollen en die in de hemel zullen blinken als de glans van het uitspansel. Wie bedoeld worden met hen, die er velen rechtvaardigen en die zullen blinken als de sterren, zal nu aangetoond worden.

  
/ 603  
  

Thanks to the Swedenborg Boekhuis NL and Guus Janssens for their permission to use this translation.

From Swedenborg's Works

 

Hemel en Hel #125

Study this Passage

  
/ 603  
  

125. Door deze beschouwingen kan nu in een duidelijker licht gezien worden wat in de voorgaande hoofdstukken betreffende de Heer is gezegd en getoond, namelijk: Dat Hij de God van de hemel is (zie nr. 2-6). at Zijn Goddelijkheid de hemel maakt (zie nr. 7-12). at het Goddelijke van de Heer in de hemel de liefde tot Hem en liefde tot de naaste is (zie nr. 13-19). at er een overeenstemming bestaat tussen alles op aarde met de hemel en via de hemel met de Heer (zie nr. 87-115). n ook dat de aardse zon en maan overeenstemmingen zijn (zie nr. 105).

  
/ 603  
  

Thanks to the Swedenborg Boekhuis NL and Guus Janssens for their permission to use this translation.