From Swedenborg's Works

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #8457

Study this Passage

  
/ 10837  
  

8457. En zie, op de aangezichten van de woestijn; dat dit het nieuwe wilsdeel betekent, staat vast uit de betekenis van de woestijn, dus hier de nieuwe wil door de inboezeming van het ware; het nieuwe wilsdeel immers wordt gevormd uit het goede door het ware bij de mens van de geestelijke Kerk en verschijnt bij hem als geweten en dat dit het geweten van het ware is, staat vast uit wat eerder over de wederverwekking van de geestelijke mens is getoond.

De woestijn betekent eigenlijk het onbebouwde en onbewoonde en in de geestelijke zin betekent die waar niet het ware en het goede is, dus eveneens waar geen leven is, nrs. 1927, 2708, 3900; en daarom wordt, wanneer er wordt gezegd dat de dauw verscheen op het aangezicht van de woestijn en onder de dauw het manna, met de woestijn de nieuwe wil aangeduid.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl

From Swedenborg's Works

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #3900

Study this Passage

  
/ 10837  
  

3900. Alsdan, zo iemand tot u zeggen zal: Ziet, hier is Christus, of daar, gelooft het niet, betekent de aanmaning dat men zich wachtte voor hun leer; Christus is de Heer ten aanzien van het Goddelijk Ware, vandaar ten aanzien van het Woord en ten aanzien van de Leer vanuit het Woord; dat het hier het tegendeel is, namelijk het Goddelijk ware vervalst of de leer van het valse, is duidelijk; dat Jezus het Goddelijk Goede en Christus het Goddelijk Ware is, zie de nrs. 3004, 3005, 3008, 3009. Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, betekenen de valse dingen van die leer; dat de valse christussen de vervalste leerstellige dingen vanuit het Woord zijn of niet Goddelijke ware dingen, blijkt uit wat net hiervoor is gezegd, zie de nrs. 3010, 3732;

en dat de valse profeten diegenen zijn die deze valse dingen leren, nr. 2534. Zij die valse dingen onderwijzen, zijn in de christelijke wereld voornamelijk diegenen die de verheffing van zichzelf en tevens de rijkdom van de wereld ten doel hebben, want zij verdraaien de ware dingen van het Woord ten gunste van zich; want wanneer de liefde van zich en van de wereld als doel geldt, dan denkt men aan niets anders; deze mensen zijn de valse christussen en de valse profeten. En zullen grote tekenen en wonderen geven, betekent de bevestigende en de overredende dingen vanuit uiterlijke schijn en begoocheling, waardoor de eenvoudigen zich laten verleiden; dat dit is tekenen en wonderen geven, zal elders vanuit de Goddelijke barmhartigheid van de Heer, worden getoond. Opdat zij indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen verleiden, betekent degenen die in het leven van het goede en ware zijn en vandaar bij de Heer; dezen zijn het die in het Woord uitverkorenen worden genoemd; in de menigte van diegenen die een profane eredienst onder het heilige verhullen, verschijnen dezen zelden of indien zij al verschijnen, worden zij niet herkend, want de Heer verbergt hen en beschermt hen dus zo, want voordat zij bevestigd zijn, laten zij zich gemakkelijk door uiterlijke heiligheden afleiden, maar nadat zij bevestigd zijn, houden zij stand; want zij worden door de Heer in het samenzijn met de engelen gehouden; dit weten zij zelf niet en dan is het onmogelijk dat zij door die goddeloze bende verleid worden. Ziet, Ik heb het u voorzegd, betekent de aanmaning tot voorzichtigheid, namelijk dat zij zich ervoor wachten, want zij zijn onder pseudoprofeten die in schaapsklederen verschijnen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven, (Mattheüs 7:15);

die pseudoprofeten zijn de zonen der eeuw, die voorzichtiger zijn, dat wil zeggen, bedrevener dan de zonen des lichts in hun geslacht, over wie bij, (Lukas 16:8);

daarom vermaant de Heer hen met deze woorden:

‘Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen en eenvoudig gelijk de duiven’, (Mattheüs 10:16). Zo zij dan tot u zeggen zullen:

‘Ziet, Hij is in de woestijn, gaat niet uit; Ziet, in de binnenkameren, gelooft het niet’, betekent dat men niet moet geloven wat zij spreken over het ware, noch wat zij spreken over het goede en meer dingen; dat het deze dingen zijn die worden aangeduid, kan niemand zien dan alleen hij die de innerlijke zin kent. Dat er een verborgenheid in die woorden is, kan men hieruit weten, dat de Heer ze gesproken heeft en dat het zonder een andere, innerlijk verborgen zin een zinledig iets is, namelijk dat zij indien zij zouden zeggen dat Christus in de woestijn is, niet zouden uitgaan en indien zij zouden zeggen dat Hij in de binnenkameren is, het niet zouden geloven; maar het is het verwoeste ware dat door de woestijn wordt aangeduid en het verwoeste goede door de binnenkameren of de binnenste vertrekken. Dat het verwoeste ware door de woestijn wordt aangeduid, komt omdat van de Kerk wanneer zij verwoest is, dat wil zeggen, wanneer er in haar niet langer enig Goddelijk ware is omdat er niet langer enig goede, of liefde tot de Heer en naastenliefde jegens de naaste is, dan gezegd wordt dat zij een woestijn is of in de woestijn is, want onder de woestijn wordt al datgene verstaan wat niet bebouwd of bewoond is, nr. 2708 en ook dat wat te weinig levenskracht heeft, nr. 1927, zoals dan het ware in de Kerk is waarin niet het ware is. De binnenkameren echter of de binnenste vertrekken, betekenen in de innerlijke zin de Kerk ten aanzien van het goede en verder het eenvoudig goede. De Kerk die in het goede is, wordt het huis Gods genoemd; de binnenkameren zijn de goede dingen en de dingen die in het huis zijn; dat het huis Gods het Goddelijk Goede is en het huis in het algemeen het goede dat van de liefde en van de naastenliefde is, zie de nrs. 2233, 2234, 2559, 3142, 3652, 3720.

Dat men niet moet geloven wat zij zeggen over het ware en over het goede, heeft als oorzaak dat zij het valse het ware noemen en het boze het goede, want zij die zichzelf en de wereld als einddoel beschouwen, verstaan onder het ware en het goede niets naders dan dat zijzelf aanbeden moeten worden en dat men aan hen moet weldoen; en indien zij vroomheid voorwenden dan is het om in schaapskleren te verschijnen.. Bovendien, omdat het Woord dat de Heer gesproken heeft, ontelbare dingen in zich bevat en de woestijn een woord van ruime betekenis is, want al datgene wordt woestijn genoemd wat niet bebouwd en bewoond is en binnenkameren worden al die dingen genoemd die innerlijk zijn, wordt daarom ook door de woestijn het Woord van het Oude Testament aangeduid, want dit wordt geacht te hebben afgedaan en door de binnenkameren het Woord van het Nieuwe Testament, omdat het de innerlijke dingen of over de innerlijke mens leert. Evenzo wordt ook het gehele Woord een woestijn genoemd wanneer het niet langer voor de leerstellige dingen van dienst is en binnenkameren worden de menselijke inzettingen genoemd, die, omdat zij van de geboden en verordeningen van het Woord afwijken, maken dat het Woord een woestijn is; zoals ook in de christelijke wereld bekend is, want zij die in een heilige uiterlijke eredienst zijn en in een profaan innerlijke, schaffen ter wille van de vernieuwingen die de zelfverheffing boven allen en een rijkdom boven allen als einddoelen beschouwen, het Woord af en wel dermate dat zij zelfs niet toelaten dat het door de anderen gelezen wordt; en hoewel degenen die niet in zo’n profane eredienst zijn, het Woord heilig houden en toelaten dat het onder het gewone volk is, buigen en ontvouwen zij toch alle dingen naar hun eigen leerstellige dingen, wat maakt dat de overige dingen in het Woord die niet overeenkomstig hun leerstellige dingen zijn, een woestijn zijn, zoals duidelijk kan blijken uit degenen die in het geloof-alleen het heil stellen en de werken van de naastenliefde verachten, al wat de Heer zelf in het Nieuwe Testament en zo vaak in het Oude over de liefde en de naastenliefde heeft gesproken, maken zij als het ware een woestijn en alle dingen die van het geloof zonder de werken zijn, als het ware tot binnenkameren. Hieruit blijkt wat door ‘zo zij tot u zeggen zullen: Ziet, Hij is in de woestijn, gaat niet uit; Ziet, in de binnenkameren, gelooft het niet’ wordt aangeduid. Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten en schijnt tot aan het westen, alzo zal ook de komst van de Zoon des Mensen zijn, betekent dat het met de innerlijke eredienst van de Heer zo gesteld was als met de bliksem, die terstond verdwijnt; door de bliksem wordt immers datgene aangeduid wat van het hemelse licht is, dus wat betrekking heeft op de liefde en het geloof, want deze zijn van het hemelse licht; het oosten is in de hoogste zin de Heer, in de innerlijke zin is het het goede van de liefde en van de naastenliefde en van het geloof uit de Heer, zie de nrs. 101, 1250, 3249; het westen is echter in de innerlijke zin dat wat is ondergegaan of heeft opgehouden te zijn, dus het niet erkennen van de Heer, noch van het goede van de liefde, van de naastenliefde en van het geloof; zo is dus de bliksem die uitgaat van het oosten en schijnt tot aan het westen, de verdwijning; de Komst van de Heer, overeenkomstig de letter, dat Hij wederom aan de wereld zal verschijnen, maar zij is Zijn tegenwoordigheid in eenieder en deze is er zo vaak als het Evangelie wordt gepredikt en over het heilige wordt gedacht. Want alwaar het lijk zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden, betekent dat de bevestigingen van het valse door redeneringen in de verwoeste Kerk vermenigvuldigd zullen worden. Van een Kerk wordt, wanneer zij zonder het goede en vandaar zonder het ware van het geloof is, gezegd dat zij dood is, want haar leven is vanuit het goede en ware; vandaar wordt zij wanneer zij dood is, met een lijk vergeleken; de redeneringen ten aanzien van de goede en ware dingen dat zij niet goede en ware dingen zijn dan alleen voor zoveel men ze begrijpt en de bevestigingen van het boze en valse door die redeneringen, zijn de arenden, zoals kan vaststaan uit wat hierna volgt; dat het lijk hier de Kerk zonder het leven van de naastenliefde en van het geloof is, blijkt uit de woorden van de Heer, waar over de voleinding der eeuw wordt gehandeld, bij Lukas:

‘De discipelen zeiden: Waar, Heer [namelijk de voleinding der eeuw of het Laatste Gericht]; Jezus zei tot hen: Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden’, (Lukas 17:37);

het lichaam staat daar in de plaats van het lijk, want het is het dode lichaam dat hier wordt verstaan en het betekent de Kerk, want dat het Gericht met het huis Gods of met de Kerk zal beginnen, blijkt hier en daar uit het Woord. Dit zijn de dingen die de nu aangehaalde en verklaarde woorden van de Heer in de innerlijke zin betekenen; en dat deze in de schoonste reeks zijn samengevoegd, hoewel het niet zo in de letterlijke zin verschijnt, kan blijken voor diegenen die ze in hun verband, overeenkomstig de ontvouwing beschouwt.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl