from the Writings of Emanuel Swedenborg

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #6114

Studere hoc loco

  
/ 10837  
  

6114. Voor de opbrengst die zij kochten; dat dit betekent dat zij daarmee werden ondersteund, staat vast uit de betekenis van de opbrengst, namelijk het ware van de Kerk, nr. 5402;

en uit de betekenis van kopen, namelijk toe-eigenen, waarover de nrs. 4397, 5374, 5397, 5406, 5410, 5426;

vandaar is het ondersteund worden, want er wordt gehandeld over de geestelijke spijs, die met de opbrengst wordt aangeduid, deze spijs, eenmaal toegeëigend, ondersteunt het geestelijk leven.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl

from the Writings of Emanuel Swedenborg

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #5397

Studere hoc loco

  
/ 10837  
  

5397. GENESIS – TWEEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK

1. En hij zag, Jakob, dat er opbrengst in Egypte was en Jakob zei tot zijn zonen: Waarom ziet gij elkaar aan.

2. En hij zei: Ziet, ik heb gehoord dat er opbrengst in Egypte is; daalt daarheen af, en koopt ons van daar en dat wij leven en dat wij niet sterven.

3. En Jozefs tien broeders daalden af om koren uit Egypte te kopen.

4. En Benjamin, Jozefs broeder, zond Jakob niet met zijn broeders, omdat hij zei: Misschien zou hem onheil overkomen.

5. En Israëls zonen kwamen om te kopen in het midden van degenen die kwamen, omdat de honger was in het land Kanaän.

6. En Jozef, hij, was de heerser over het land, hij verkopende aan al het volk des lands; en Jozefs broeders kwamen en zij bogen zich voor hem met de aangezichten ter aarde.

7. En Jozef zag zijn broeders en hij herkende hen; en hij gedroeg zich als een vreemde jegens hen en hij sprak harde dingen met hen en hij zei tot hen: Van waar zijt gij gekomen; en zij zeiden: Uit het land Kanaän, om spijs te kopen.

8. En Jozef herkende zijn broeders en zij herkenden hem niet.

9. En Jozef gedacht aan de dromen die hij hun gedroomd had; en hij zei tot hen: Gij zijt verspieders; om de naaktheid des lands te zien, zijt gij gekomen.

10. En zij zeiden tot hem: Neen, mijn heer en uw knechten komen om spijs te kopen.

11. Wij allen, wij zijn zonen van één man; wij zijn recht; uw knechten zijn niet verspieders.

12. En hij zei tot hen: Neen, dat gij gekomen zijt om de naaktheid des lands te zien.

13. En zij zeiden: Wij uw knechten zijn twaalf broeders, de zonen van één man, in het land Kanaän; en zie, de kleinste is heden met onze vader en één is niet.

14. En Jozef zei tot hen: Dit is het wat ik tot u sprak, door te zeggen: Gij zijt verspieders.

15. Hierin zult gij beproefd worden, Farao leve, indien gij van hier zult uitgaan, tenzij uw kleinste broeder hierheen komt.

16. Zendt één uit u en hij neme uw broeder, en gij, gij zult gebonden zijn en uw woorden zullen beproefd worden of de waarheid met u is en indien niet, Farao leve, dat gij verspieders zijt.

17. En hij sloot hen op ter bewaring drie dagen.

18. En Jozef zei tot hen op de derde dag: Doet dit, en gij zult leven; ik vrees God.

19. Indien gij recht zijt, uw broeder, één, worde gebonden in het huis van uw bewaring; en gij gaat, brengt de opbrengst van de honger van uw huizen.

20. En brengt uw kleinste broeder tot mij en uw woorden zullen waar gemaakt worden en gij zult niet sterven; en zij deden aldus.

21. En zij zeiden, de man tot zijn broeder: Voorwaar, wij zijn schuldig over onze broeder, wiens benauwdheid der ziel wij zagen, toen hij tot ons smeekte en wij hoorden niet; deswege is deze benauwdheid tot ons gekomen.

22. En Ruben antwoordde hun, al zeggende: Heb ik niet tot u gezegd, al zeggende: Zondigt niet aan het kind en gij hebt niet geluisterd; en ook zijn bloed, ziet het wordt gezocht.

23. En zij wisten niet dat Jozef was horende, omdat er een tolk tussen hen was,

24. En hij wendde zich af van over hen en hij weende; en hij keerde weder tot hen en hij sprak tot hen; en hij nam uit hen Simeon en hij bond hem voor hun ogen.

25. En Jozef gebood en zij vulden hun vaten met koren en om terug te brengen hun zilver, van eenieder in zijn zak en om hun te geven teerkost tot de weg; en hij deed hun aldus.

26. En zij hieven hun opbrengst op hun ezels en zij gingen van daar.

27. En één opende zijn zak om zijn ezel voeder te geven in de herberg en hij zag zijn zilver en ziet, het was in de mond van zijn reiszak.

28. En hij zei tot zijn broeders: Mijn zilver is teruggevoerd en ook, ziet, in mijn reiszak; en het hart ontging hun en zij beefden, de man tot zijn broeder, al zeggende: Wat is dit dat God ons gedaan heeft.

29. En zij kwamen tot Jakob, hun vader, in het land Kanaän en zij gaven hem te kennen alle dingen die hun wedervaren waren, al zeggende.

30. De man, de heer des lands, sprak harde dingen met ons en hij gaf ons als verspiedende het land.

31. En wij zeiden tot hem: Wij zijn recht; wij zijn niet verspieders.

32. Wij zijn twaalf broeders, zonen van onze vader; één is niet en de kleinste is heden met onze vader in het land Kanaän.

33. En de man, de heer des lands, zei tot ons: Hierin zal ik weten dat gij recht zijt; doet u één broeder met mij blijven en neemt de honger uwer huizen en gaat.

34. En brengt uw kleinste broeder tot mij; en ik zal weten dat gij niet verspieders zijt, dat gij recht zijt; uw broeder zal ik u geven en gij zult al handel drijvende het land doorzwerven.

35. En het geschiedde als zij hun zakken ledigden, en ziet, eenieder had het pak zijns zilvers in zijn zak en zij zagen de pakken huns zilvers, zij en hun vader en zij vreesden.

36. En Jakob, hun vader, zei tot hen: Gij hebt mij van kinderen beroofd; Jozef is niet en Simeon is niet en Benjamin neemt gij; al deze dingen zullen op mij zijn.

37. En Ruben zei tot zijn vader, al zeggende: Doe mijn twee zonen sterven zo ik hem niet tot u zal hebben gebracht; geef hem op mijn hand en ik zal hem tot u wederbrengen.

38. En hij zei: Mijn zoon zal met ulieden niet nederdalen, omdat zijn broeder dood is, en hij, hij alleen is overgebleven; en zo hem onheil overkomt in de weg waarin gij zult gaan en gij zult mijn grijsheid in droefenis ten grave doen nederdalen.

DE INHOUD

In het vorige hoofdstuk is aan het einde gehandeld over de invloeiing en de verbinding van het hemelse van het geestelijke met de wetenschappelijke dingen in het natuurlijke; nu wordt gehandeld over de invloeiing en de verbinding van het hemelse van het geestelijke met de ware dingen van het geloof die van de Kerk daar zijn.

Eerst wordt gehandeld over het streven om deze ware dingen toe te eigenen door de wetenschappelijke dingen van de Kerk, die Egypte zijn en zonder het middel dat Benjamin is, met het ware vanuit het Goddelijke, dat Jozef is, maar dit tevergeefs; en daarom werden zij teruggezonden en werd enig goede van het natuurlijk ware om niet gegeven.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl