Ware Christelijke Religie #390

द्वारा इमानुएल स्वीडनबोर्ग

इस मार्ग का अध्ययन करें

  
/ 853  
  

390. Zesde gedenkwaardigheid. In de noordelijke streek van de geestelijke wereld hoorde ik zoiets als het gedruis van wateren. Ik ging er naar toe en toen ik er dichtbij kwam, hield het gedruis op, en hoorde ik een geluid als het gezoem van een grote bijeenkomst. Een huis vol spleten verscheen toen, waar een bouwvallige muur omheen stond, waar dat gezoem vandaan kwam. Ik ging er naar toe en ik vroeg aan de deurwachter die daar stond wie daar waren. Hij zei dat daar de meest wijzen van alle wijzen waren, die onder elkaar over bovennatuurlijke dingen debatteerden. Hij sprak zo vanuit zijn eenvoudig geloof. Ik vroeg hem of ik naar binnen mocht gaan, waarop hij zei: ‘Dat is toegestaan, mits u niets zegt, want ik heb toestemming dat de heidenen met mij in de ingang mogen staan.’ Dus ging ik naar binnen, en ziet, het was een amfitheater, en in het midden daarvan stond een spreekgestoelte en een gezelschap van zogenaamde wijzen behandelden de verborgenheden van hun geloof. De stof of de stelling die toen het onderwerp van behandeling uitmaakte, was de vraag, of het goede, dat de mens doet in de staat van rechtvaardiging door het geloof, of in de voortschrijding daarvan na de daad, al dan niet het goede van de godsdienst was. Ze zeiden eenstemmig dat onder het goede van de godsdienst het goede wordt verstaan dat tot de zaligheid bijdraagt. De discussie was heftig, maar diegenen hadden de overhand, die zeiden, dat de goedheden, die de mens doet in de staat of in de voortschrijding van het geloof, slechts zedelijke goedheden zijn. Deze leiden weliswaar tot het welvaren in de wereld, maar dragen niets bij tot het heil, waartoe alleen het geloof maar bijdraagt. Ze bevestigden dit als volgt: hoe kan enige goede van de wil van de mens verbonden worden met hetgeen om niet is; en wordt de zaligheid niet om niet gegeven? Hoe kan enig goede uit de mens verbonden worden met de verdienste van Christus; is er niet enig en alleen door deze verdienste zaligheid? En hoe kan de werking van de mens verbonden worden met de werking van de Heilige Geest? Doet deze niet alles zonder hulp van de mens? Zijn deze niet de enig en alleen zaligmakende dingen in de handeling van de rechtvaardiging door het geloof en blijven deze drie enig en alleen zaligmakende dingen niet in de staat of in de voortschrijding van het geloof? Vandaar kan het bijkomstig goede uit de mens volstrekt niet het goede van de godsdienst worden genoemd, wat, zoals gezegd, tot het heil bijdraagt. Maar indien iemand dit doet met als doel het heil, dan moet dit bijkomstig goede, aangezien de wil van de mens in dat goede is, en deze dit goede niet anders dan als verdienste kan beschouwen, veeleer het boze van de godsdienst genoemd worden.’ Er stonden twee heidenen naast de deurwachter in de hal; ze hoorden deze dingen en zeiden tegen elkaar: ‘Deze mensen hebben niet enige godsdienst, wie ziet niet dat de naaste het goede doen ter wille van God, dus met God en uit God, datgene is wat godsdienst wordt genoemd.’ De ander zei: ‘Hun geloof heeft hen verdwaasd.’ Ze vroegen toen aan de deurwachter wie zij waren, waarop deze zei: ‘Het zijn wijze christenen.’ Toen antwoordden ze: ‘U praat maar wat en liegt, het zijn toneelspelers; die spreken net zo.’ Ik ging heen. Dat ik tot dit huis kwam en dat ze toen over die dingen een discussie voerden, en dat alles zo gebeurde als het beschreven werd, geschiedde vanuit het goddelijk toezicht van de Heer.

  
/ 853  
  

Swedenborg Boekhuis Baarle Nassau, Netherlands Nederlandse vertaling door Henk Weevers 2010. Link markup by NCBSP.