Des oeuvres de Swedenborg

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #6112

Étudier ce passage

  
/ 10837  
  

6112. En Jozef verzamelde alle zilver; dat dit al het ware en aanwendbare wetenschappelijke betekent, staat vast uit de betekenis van verzamelen, namelijk tot één samenbrengen; uit de uitbeelding van Jozef, namelijk het innerlijk hemelse, waarover vaak eerder; en uit de betekenis van het zilver, namelijk het ware, nrs. 1551, 2954, 5658; hier echter het ware en aanwendbare wetenschappelijke, want het wordt gezegd van het zilver in het land van Egypte en in het land Kanaän, zoals hierna volgt; vandaar komt het dat met ‘Jozef verzamelde alle zilver’, wordt aangeduid dat het innerlijke hemelse al het ware en aanwendbare wetenschappelijke tot één samenbracht. Dat wetenschappelijke wordt waar en aanwendbaar genoemd, dat niet door begoochelingen wordt verduisterd, die, zolang die niet uiteengeslagen kunnen worden, het wetenschappelijke niet aanwendbaar maken; en eveneens dat wetenschappelijke dat niet verdraaid is geworden door toevoegingen aan valse en boze dingen door anderen of door iemand zelf, want wanneer deze eenmaal in enig wetenschappelijke zijn geprent, blijven zij; daarom is het wetenschappelijke dat niet aan die euvels lijdt, een waar en aanwendbaar wetenschappelijke.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl

Des oeuvres de Swedenborg

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #1551

Étudier ce passage

  
/ 10837  
  

1551. Dat ‘in zilver’ de waarheden betekent, blijkt uit de betekenis van het zilver, namelijk het ware. De Oudsten vergeleken de goedheden en de waarheden bij de mens met metalen, de innerlijke of de hemelse goedheden, welke tot de liefde tot de Heer behoren, met goud; de waarheden die daaruit voortkomen, met zilver. De lagere of de natuurlijke goedheden echter met koper en de lagere waarheden met ijzer. En niet alleen vergeleken zij ze daarmee, maar noemden ze ook zo. Vandaar dat ook de tijdperken met deze zelfde metalen werden vereenzelvigd, en de gouden, de zilveren, de koperen en de ijzeren eeuw werden genoemd. Want zo volgden ze elkaar op. De gouden eeuw was de tijd van de Oudste Kerk, welke een hemels Mens was. De zilveren eeuw was de tijd van de Oude Kerk, welke een geestelijke Mens was. De koperen eeuw was de tijd van de volgende Kerk, en hierop volgde de ijzeren eeuw. Iets dergelijks is ook aangeduid door het beeld, dat Nebukadnezar in de droom zag, ‘welks hoofd was van goed goud, zijn borst en zijn armen van zilver, zijn buik en zijn lendenen van koper, zijn dijen van ijzer’, (Daniël 2:32, 33). Dat de tijden van de Kerk zo op elkaar moesten volgen en dat zij dit ook werkelijk deden, blijkt bij dezelfde profeet in genoemd hoofdstuk. Dat het zilver in de innerlijke zin van het Woord, overal waar het genoemd wordt, het ware betekent en in tegenovergestelde zin het valse, blijkt uit de volgende plaatsen.

Bij Jesaja:

‘Voor koper zal ik goud brengen en voor ijzer zal Ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor stenen ijzer, en Ik zal vrede tot uw overheid maken en gerechtigheid tot uw heersers’, (Jesaja 60:17);

waar duidelijk blijkt wat elk metaal betekent. Hier wordt gehandeld over de komst van de Heer en over Zijn rijk en de hemelse Kerk. Voor koper goud wil zeggen voor het natuurlijk goede het hemels goede. Voor ijzer zilver, is voor het natuurlijk ware het geestelijk ware. Voor hout koper is voor het lichamelijk goede het natuurlijk goede. Voor stenen ijzer is voor het zinnelijk ware het natuurlijk ware.

Bij dezelfde:

‘O alle gij dorstigen, gaat tot de wateren, en wie geen zilver heeft, gaat, koopt en eet’, (Jesaja 55:1) . Wie geen zilver heeft, is wie in onwetendheid over het ware verkeert en toch in het goede van de naastenliefde is, zoals velen binnen de Kerk en de heidenen buiten de Kerk.

Bij dezelfde:

‘De eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tharschisch vooreerst, om uw zonen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de naam van Jehovah, uw God, en tot de Heilige Israëls’, (Jesaja 60:9);

waar in het bijzonder gehandeld wordt over de nieuwe Kerk of de Kerk van de heidenen, en in het algemeen over het rijk van de Heer. De schepen van Tharschisch staan voor de erkentenissen, het zilver voor de waarheden, het goud voor de goedheden, en dit zijn de dingen die zij tot de naam van Jehovah zullen brengen.

Bij Ezechiël:

‘Gij hebt de vaten uws sieraads genomen van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en gij hebt u mansbeelden gemaakt’, (Ezechiël 6, 17). Hier staat goud voor de erkentenissen van de hemelse dingen, zilver voor de erkentenissen van de geestelijke dingen.

Bij dezelfde:

‘Gij waart versierd met goud en zilver, en uw gewaad was fijn linnen en zijde, en gestikt werk’, (Ezechiël 16, 13);

over Jeruzalem, waarmee de Kerk van de Heer wordt aangeduid, waarvan de tooi zo beschreven wordt.

Bij dezelfde:

‘Zie, gij zijt wijs; zij hebben niets geslotens voor u verborgen; in uw wijsheid en uw inzicht hebt gij rijkdommen voor u gemaakt, en hebt goud en zilver in uw schatten gemaakt’, (Ezechiël 28:3, 4), over Tyrus, en hier komt duidelijk uit dat het goud de rijkdommen van de wijsheid zijn, en het zilver de rijkdommen van het inzicht.

Bij Joël:

‘Mijn zilver en Mijn goud hebt gij genomen en Mijn beste kleinoden in uw tempels gebracht’, (Joël 3:5), over Tyrus, Zidon en Filistea, waardoor de erkentenissen worden aangeduid, die het goud en het zilver zijn, dat zij in hun tempels gebracht hebben.

Bij Haggaï:

‘De uitverkorenen van alle natiën zullen komen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen. Mijn is het zilver en Mijn is het goud. De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter wezen dan het eerste’, (Haggaï 2:8, 9, 10);

waar van de Kerk van de Heer sprake is, waarop het goud en het zilver betrekking hebben.

Bij Maleachi:

‘Hij zal zitten, smeltende, het zilver louterende, en Hij zal de zonen van Levi reinigen’, (Maleachi 3:3), waar sprake is van de Komst van de Heer.

Bij David:

‘De redenen van Jehovah zijn reine redenen, zilver gesmolten in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal’, (Psalm 12:7). Het zevenmaal gereinigde zilver staat voor de Goddelijke waarheid. Wanneer ‘de zonen Israëls, toen zij uit Egypte togen, bevolen werd dat elke vrouw van haar nabuur en van de waardin van haar huis vragen zal zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen, en dat zij die leggen zullen op hun zonen, en op hun dochteren, en de Egyptenaren beroven’, (Exodus 322; 11:2, 3; 1235, 36), kan eenieder zien, dat nooit tot de zonen van Israël zou gezegd zijn, op deze wijze te stelen en de Egyptenaren te beroven, wanneer niet daarmee bepaalde verborgenheden werden uitgebeeld. Welke verborgenheden het echter zijn, kan blijken uit de betekenis van het zilver, het goud, de klederen en van Egypte, en dat deze dingen iets dergelijks uitbeeldden als hier Abram, namelijk dat hij rijk was in zilver en goud uit Egypte. Zoals het zilver het ware betekent, evenzo betekent het in tegenovergestelde zin het valse, want zij die in het valse zijn menen dat het valse het ware is, zoals ook bij de profeten blijkt.

Bij Mozes:

‘Gij zult niet begeren het zilver en het goud der heidenen, noch voor u nemen, opdat gij daardoor niet verstrikt wordt, want dat is Jehovah, uw God, een gruwel, verfoeiende zult gij het verfoeien’, (Deuteronomium 7:25, 26);

het goud van de heidenen staat voor de boosheden, en hun zilver voor de valsheden.

Bij dezelfde:

‘Gij zult nevens Mij niet maken goden van zilver en goden van goud zult gij u niet maken’, (Exodus 20:23), waardoor in de innerlijke zin niets anders wordt aangeduid dan valsheden en begeerten. De valsheden zijn de goden van zilver, de begeerten de goden van goud.

Bij Jesaja:

‘Te dien dage zullen zij verwerpen, eenieder de afgoden van zijn zilver en de afgoden van zijn goud, welke u uwe handen tot zonde gemaakt hadden’, (Jesaja 31:7). De afgoden van zilver en de afgoden van goud staan voor dergelijke dingen. Welke uwe handen u gemaakt hadden, wil zeggen dat zij uit het eigen ik voortkomen.

Bij Jeremia:

‘Zij worden zot en dwaas, een onderwijs der ijdelheden is dat hout; uitgerekt zilver wordt van Tharschisch gebracht, en goud van Ufaz, een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids. Hyacinth en purper is hun kleed, gans een werk der wijzen’, (Jeremia 10:8, 9) voor dergelijke dingen, zoals duidelijk blijkt.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl