Goddelijke Voorzienigheid #130

Par Emanuel Swedenborg

Étudier ce passage

  
/ 340  
  

130. 1. Niemand wordt hervormd door wonderen en tekenen, omdat deze dwingen.

Dat de mens het innerlijke en het uitwendige van het denken heeft en dat de Heer invloeit door het innerlijke van het denken in het uitwendige ervan bij de mens en hem zo leert en leidt, is boven getoond. Voorts dat het vanuit de Goddelijke Voorzienigheid van de Heer is, dat de mens vanuit het vrije volgens de rede zal handelen. Deze dingen zouden bij de mens vergaan indien wonderen zouden geschieden en de mens daardoor gedreven werd om te geloven. Dat dit zo is, kan redelijk worden gezien door het volgende: het kan niet worden ontkend dat wonderen geloof teweeg brengen en sterk overreden dat datgene waar is wat hij die wonderen doet, zegt en leert, en dat dit in het begin het uitwendige van het denken van de mens dermate in beslag neemt dat het dit als het ware bindt en betovert. Maar de mens wordt daardoor beroofd van zijn beide vermogens, die de rede en de vrijheid worden genoemd, en wel dusdanig dat hij niet vanuit het vrije volgens de rede kan handelen, en dan kan de Heer niet invloeien door het innerlijke en het uitwendige denken van hem, maar alleen het aan de mens overlaten vanuit zijn redelijkheid datgene te bevestigen, wat van zijn geloof is geworden en door dat wonder is ontstaan. De staat van het denken van de mens is zodanig dat hij uit het innerlijke van het denken datgene in het uitwendige van zijn denken ziet als in een spiegel, want, zoals boven is gezegd, de mens kan zijn denken zien, wat niet bestaanbaar is dan alleen uit het innerlijke denken. Wanneer hij iets ziet zoals in een spiegel, kan hij dat ook hierheen en daarheen draaien en dat vormen, totdat het hem als iets moois toeschijnt. Zoiets kan, indien het een waarheid is, vergeleken worden met een maagd of jong meisje of een jongeman, schoon en levend. Indien echter de mens zoiets niet hier- en daarheen kan draaien en dat vormen, maar dat slechts geloven vanuit de overreding, veroorzaakt door het wonder, kan het, indien het dan een waarheid is, vergeleken worden met een maagd of een jongeman, gebeeldhouwd uit steen of hout, in wie niet het levende is. Eveneens kan het worden vergeleken met een object dat steeds voor het gezicht is, wat alleen wordt gezien en al datgene verbergt wat aan weerskanten aan de zijden is en wat daarachter is. Verder kan het ook worden vergeleken met een voortdurende klank in het oor die de waarneming van de harmonie vanuit verscheidene klanken wegneemt. Zodanige blindheid en doofheid wordt over het menselijk gemoed gebracht door wonderen. Iets dergelijks is het geval met al het bevestigde dat niet vanuit enige redelijkheid wordt gezien alvorens het bevestigd wordt.

  
/ 340  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl