Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #6206

Par Emanuel Swedenborg

Étudier ce passage

      |   
/ 10837  
  

6206. Verder moet men weten dat al het boze invloeit uit de hel en al het goede door de hemel uit de Heer; dat het boze echter de mens wordt toegeëigend, heeft als oorzaak dat de mens gelooft en zich overreedt dat hij dit zelf denkt en uit zichzelf doet, en zo dit tot het zijne maakt; indien hij geloofde zoals het hier werkelijk mee gesteld is, dan zou hem het boze niet worden toegeëigend, maar zou hem het goede uit de Heer worden toegeëigend; want dan zou hij direct als het boze invloeide, denken dat het was uit de boze geesten bij hem; en wanneer hij dit zou denken, zouden de engelen dit afwenden en verwerpen; want de invloeiing van de engelen is in datgene wat de mens weet en gelooft; maar niet in de dingen die de mens niet weet en gelooft; de invloeiing immers wordt niet ergens anders vastgehouden dan daar waar iets bij de mens is. Wanneer de mens zich zo het boze toe-eigent, verwerft hij zich de sfeer van dat boze en het is deze sfeer waaraan zich geesten uit de hel toevoegen die in de sfeer van een soortgelijk boze zijn, want het eendere wordt met het eendere verbonden. De geestelijke sfeer bij de mens of geest is de aan het leven van zijn liefden ontvloeiende uitwaseming; vanuit die wordt al van verre gekend hoedanig hij is; volgens de sferen worden allen in het andere leven, ook de gezelschappen onderling, verbonden en eveneens ontbonden; want tegengestelde sferen botsen en stoten elkaar wederkerig af; vandaar zijn de sferen van de liefden van het boze alle in de hel en de sferen van de liefden van het goede alle in de hemel, dat wil zeggen, degenen die daarin zijn.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl