Over de Goddelijke Liefde #14

Por Emanuel Swedenborg
      |   
/ 21  
  

14. Dat diegenen niet mensen zijn, noch in de Heer zijn, die zichzelf boven alle dingen liefhebben, en de wereld zoals zichzelf.

Zij die zichzelf en de wereld liefhebben, kunnen ook goede nutten doen, en eveneens doen zij ze, maar de aandoeningen van het nut bij hen zijn niet goed, zij zijn immers vanuit zich, en ter wille van zichzelf, en niet vanuit de Heer en ter wille van de naaste.

Zij zeggen weliswaar en overreden, dat zij zijn ter wille van de naaste in de brede en in de strikte zin verstaan, dat is, ter wille van de kerk, het vaderland, het gezelschap en de medeburgers.

Sommigen ook durven te zeggen dat zij zijn ter wille van God omdat zij zijn krachtens de bevelen van Hem in het Woord, en even eens uit God, omdat zij goed zijn, en al het goede uit God is; terwijl toch de nutten die zij doen, zijn ter wille van zich omdat zij vanuit zich zijn, en ter wille van de naaste opdat zij tot hen terugkeren.

Zij worden hierin gekend en onderkend van hen die nutten doen vanuit de Heer, ter wille van de naaste in de brede en de strikte zin verstaan, dat zij in de afzonderlijke dingen zich en de wereld beogen, dat zij de faam liefhebben om verschillende doelen die nutten ten eigen bate zijn; zij worden ook door de nutten aangedaan voor zoveel zij zich en het hunne in deze zien.

Bovendien zijn de verkwikkelijke dingen ervan alle verkwikkelijke dingen van het lichaam, en vanuit de wereld zoeken zij deze.

Hoedanig zij zijn, kan met deze vergelijking worden toegelicht: zijzelf zijn het hoofd, de wereld is het lichaam, de kerk het vaderland, de medeburgers zijn de voetzolen, en God is de schoen.

Maar voor hen die de nutten doen vanuit de liefde ervan, is de Heer het hoofd, zijn de kerk, het vaderland, de burgers, die de naaste zijn, het lichaam tot aan de knieën, en de wereld zijn de voeten van de knieën tot de zolen, en zijzelf zijn de zolen, schoon geschoeid.

Daaruit blijkt dat zij geheel en al zijn omgekeerd, en dat niets van de mens is in degenen die vanuit zich of vanuit de liefde van zich de nutten doen.

Er zijn twee oorsprongen van alle liefden en aandoeningen: de ene is vanuit de hemelse Zon, zijnde zuiver liefde, de andere vanuit de zon van de wereld, zijnde zuiver vuur.

Zij die de liefde hebben vanuit de hemelse Zon, zijn geestelijk en levend, en zij worden door de Heer opgeheven uit het eigene; genen echter die de liefde hebben vanuit de zon van de wereld, zijn natuurlijk en dood, en uit zich worden zij ondergedompeld in hun eigene.

Vandaar is het, dat zij alleen de natuur zien in alle objecten van het gezicht; en indien zij God erkennen, zo is het met de mond en niet uit het hart; dezen zijn het, die in het Woord worden verstaan onder de aanbidders van zon, maan, en alle hemellichamen.

Dezen verschijnen weliswaar in de geestelijke wereld als mensen, maar in het hemels licht als monsters; en hun leven schijnt hun als leven toe, maar aan de engelen als de dood.

Onder hen zijn het er velen, die voor geleerden [letterlijk beschaafden, ontwikkelden] in de wereld worden gehouden, en zij geloven van zichzelf, waarover ik mij meerdere malen verwonderde, dat zij wijzen zijn, omdat zij alle dingen aan de natuur en aan de voorzichtigheid toeschrjven, ook dat de overigen naar verhouding onnozelen zijn.

  
/ 21  
  

Naar de Nederlandse vertaling van Anton Zelling 1969, gemoderniseerd door Guus Janssens. Digitale uitgave - Swedenborg Boekhuis - 2006.