Bible

 

Genesis 23

Studie

   

1 En het leven van Sara was honderd zeven en twintig jaren; dit waren de jaren des levens van Sara.

2 En Sara stierf te Kiriath-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaan; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.

3 Daarna stond Abraham op van het aangezicht van zijner dode, en hij sprak tot de zonen Heths, zeggende:

4 Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geef mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave.

5 En de zonen Heths antwoordden Abraham, zeggende tot hem:

6 Hoor ons, mijn heer! gij zijt een vorst Gods in het midden van ons; begraaf uw dode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat gij uw dode niet zoudt begraven.

7 Toen stond Abraham op, en boog zich neder voor het volk des lands, voor de zonen Heths;

8 En hij sprak met hen, zeggende: Is het met uw wil, dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht; zo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, den zoon van Zohar,

9 Dat hij mij geve de spelonk van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is, dat hij dezelve mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u.

10 Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte zijner stad ingingen, zeggende:

11 Neen, mijn heer! hoor mij; den akker geef ik u; ook de spelonk, die daarin is, die geef ik u; voor de ogen van de zonen mijns volks geef ik u die; begraaf uw dode.

12 Toen boog zich Abraham neder voor het aangezicht van het volk des lands;

13 En hij sprak tot Efron, voor de oren van het volk des lands, zeggende: Trouwens, zijt gij het? lieve, hoor mij; ik zal het geld des akkers geven; neem het van mij, zo zal ik mijn dode aldaar begraven.

14 En Efron antwoordde Abraham, zeggende tot hem:

15 Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.

16 En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder den koopman gangbaar.

17 Alzo werd de akker van Efron, die in Machpela was, dat tegenover Mamre lag, de akker en de spelonk, die daarin was, en al het geboomte, dat op den akker stond, dat rondom in zijn ganse landpale was gevestigd,

18 Aan Abraham tot een bezitting, voor de ogen van de zonen Heths, bij allen, die tot zijn stadspoort ingingen.

19 En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk des akkers van Machpela, tegenover Mamre, hetwelk is Hebron, in het land Kanaan.

20 Alzo werd die akker, en de spelonk die daarin was, aan Abraham gevestigd tot een erfbegrafenis van de zonen Heths.

   

Ze Swedenborgových děl

 

Arcana Coelestia # 2909

Prostudujte si tuto pasáž

  
/ 10837  
  

2909.

In Kiriath-arba, the same is Hebron in the land of Canaan. That this signifies in the church, is evident from the signification of “Kiriath-arba,” as being the church as to truth; and from the signification of “Hebron in the land of Canaan,” as being the church as to good. In the Word, and especially in the prophetical parts, where truth is treated of, good is treated of also, because of the heavenly marriage in everything of the Word (see n. 683, 793, 801, 2173, 2516, 2712); therefore here, when Kiriath-arba is mentioned, it is also said, “the same is Hebron in the land of Canaan.” (That the “land of Canaan” denotes the Lord’s kingdom, may be seen above, n. 1413, 1437, 1607; also that the places in that land were variously representative, n. 1585, 1866.)

[2] In regard to Kiriath-arba which is Hebron, it was the region where Abraham, Isaac, and Jacob dwelt. That Abraham dwelt there, appears from what was said in a preceding chapter: “Abraham came and dwelt in Mamre, which is in Hebron” (Genesis 13:18). That Isaac dwelt there, appears from what is said in a later chapter: “Jacob came unto Isaac his father, to Mamre, to Kiriath-arba, the same is Hebron, where Abraham and Isaac sojourned” (Genesis 35:27). That Jacob dwelt there is evident from Joseph being sent to his brethren by Jacob his father, from the valley of Hebron (Genesis 37:14). From the representation of the three, as spoken of above, it is plain that Kiriath-arba which is Hebron represented the church before Jerusalem did.

[3] That every church in process of time decreases, until it has nothing left of faith and charity, and then is destroyed, was also represented by Kiriath-arba which is Hebron, in its being possessed by the Anakim, by whom were signified dire persuasions of falsity (n. 581, 1673). That it was possessed by the Anakim, may be seen in several places (Numbers 13:21-22; Josh. 11:21 14:15; 15:13-14; Judges 1:10); and that it came to its end or consummation and was destroyed, was represented by all things therein being given by Joshua to the curse (Josh. 10:36-37; 11:21); and the Anakim being smitten by Judah and Caleb (Judges 1:10; Josh. 14:13-15; 15:13-14). And that there was again a new church, was represented by Hebron being assigned to Caleb for an inheritance, as to field and villages (Josh. 21:12); but the city itself was made a city of refuge (Josh. 20:7; 21:13); and a priestly city for the sons of Aaron (Josh. 21:10-11); in the inheritance of Judah (Josh. 15:54).

[4] Hence it is evident that Hebron represented the Lord’s spiritual church in the land of Canaan. And likewise on this account David was required by the command of Jehovah to go to Hebron, and was there anointed to be king over the house of Judah; and after he had reigned there seven years and six months, he went to Jerusalem and took possession of Zion (see 2 Samuel 2:1-11; 5:5; 1 Kings 2:11); and then for the first time the spiritual church of the Lord began to be represented by Jerusalem, and the celestial church by Zion.

  
/ 10837  
  

Thanks to the Swedenborg Foundation for the permission to use this translation.