Hemel en Hel # 168

Napsal(a) Emanuel Swedenborg

Prostudujte si tuto pasáž

  
/ 603  
  

168. Engelen die met mensen spreken, spreken nooit door middel van natuurlijke begrippen die de mens eigen zijn en die alle van tijd, ruimte en stof en van daarmede overeenkomende dingen afgeleid zijn, maar door geestelijke begrippen, die alle aan staten en de vele veranderingen daarvan in en buiten de engelen ontleend worden. En toch worden de begrippen van de engelen, die geestelijk zijn, zodra zij bij de mens invloeien, op het ogenblik en vanzelf in natuurlijke, de mens eigene begrippen veranderd, die volkomen met de geestelijke overeenstemmen. Dat het zo geschiedt weten de engelen en ook de mensen niet, maar zo is alle invloeiing van de hemel bij de mens. Er waren engelen, die nader in mijn gedachten worden toegelaten en zelfs in mijn natuurlijke gedachten, waarin veel was, dat met tijd en plaats in verband stond, maar omdat zij toen niets begrepen, traden zij snel terug en nadat zij waren teruggetreden, hoorde ik ze spreken en zeggen, dat zij in de duisternis waren geweest. Het wordt mij gegeven door ervaring te leren, hoe groot de onwetendheid van de engelen, betreffende tijd is. Er was iemand uit de hemel, die in staat was ook in natuurlijke begrippen, zoals de mens die heeft, te worden ingeleid; met hem sprak ik daarom later als de ene mens met de andere. In het begin wist hij niet, wat het was, hetgeen ik tijd noemde, waarom ik hem volledig onderrichten moest, hoe de Zon zich schijnbaar om de aarde wentelde en jaar en dag maakte, en dat daardoor de jaren in vier tijden en ook in maanden en weken ingedeeld werden en de dagen in vierentwintig uren en dat deze tijden in vaststaande orde terugkeren en alzo de tijden ontstaan. Toen hij dit hoorde was hij zeer verbaasd en zei, dat hij daarvan niets geweten had en slechts wist wat staten waren. Gedurende het gesprek met hem zei ik ook, dat men op aarde wist, dat er in de hemel geen tijd bestond, want de mensen spreken alsof zij het weten; zij zeggen namelijk van hen, die sterven, dat zij het tijdelijke verlaten hebben en dat zij uit de tijd gaan, waaronder zij verstaan uit de wereld. Ik zei ook dat er waren die wel wisten dat de tijden oorspronkelijk staten zijn, namelijk daaruit, dat zij geheel overeenstemmen met de neigingen, waarin zij verkeren, kort voor hen, die in vreugde en innig genot, lang voor hen, die in afkeer en treurigheid zijn, en afwisselend in de staat van hoop en verwachting, en dat derhalve de geleerden onderzoeken wat tijd en ruimte is en dat zelfs enigen weten dat de tijd slechts voor de natuurlijke mens bestaat.

  
/ 603  
  

Thanks to the Swedenborg Boekhuis NL and Guus Janssens for their permission to use this translation.