Haggai 1

Studovat vnitřní smysl

           

1 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

2 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

3 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

4 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

5 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

6 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

7 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

8 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

9 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

10 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

11 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

12 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

13 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

14 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

15 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.



Exploring the Meaning of Haggai 1      

Napsal(a) New Christian Bible Study Staff

Haggai’s prophecy holds something new and happy, and also something old and unhappy. In his time, the ancient church has petered out, and the substitute for it, the Jewish church, has lost its way and become a church only on the outside. The time is approaching for the coming of the Lord, and this scolding by Haggai has in it, in verses 6-9, a prophecy of that coming.

The time of this prophecy is after the 70 years of exile in Babylon, when many of the exiles are coming back to the holy land. Zerubbabel is the appointed governor of the land and Joshua, the son of Josedech, is the high priest.

In Chapter 1, in Verses 1-5, Haggai tells these leaders that the Lord has told him that the people believe that it isn’t yet time to build the Lord's house, but that he is here to say that it is time. He asks them, "Is it time for you to live in your fancy houses while the Lord’s house lies in waste? Consider your ways!" The people are willing to wait for Messiah to raise them to earthly wealth and power but that time has gone and the church they represent lies in waste.

In verse 6, Haggai reminds them that none of what they have done so far has prospered, and then he alternates between telling them to get busy on the Lord’s house and telling them the troubles that will come if they don’t (in verses 7-11). A true church can't be set up with them because they only care about themselves and don’t care about the Lord.

A good thing happens: Haggai's message gets through. The leaders - Zerubbabel and Joshua - listen, and enough of the people are worried enough about the way things were going (as Haggai had said) that work starts on a new rebuilding on the old foundation. (verses 12-14)

   Studovat vnitřní smysl

Exploring the Meaning of Haggai 1      

Napsal(a) New Christian Bible Study Staff

Haggai’s prophecy holds something new and happy, and also something old and unhappy. In his time, the ancient church has petered out, and the substitute for it, the Jewish church, has lost its way and become a church only on the outside. The time is approaching for the coming of the Lord, and this scolding by Haggai has in it, in verses 6-9, a prophecy of that coming.

The time of this prophecy is after the 70 years of exile in Babylon, when many of the exiles are coming back to the holy land. Zerubbabel is the appointed governor of the land and Joshua, the son of Josedech, is the high priest.

In Chapter 1, in Verses 1-5, Haggai tells these leaders that the Lord has told him that the people believe that it isn’t yet time to build the Lord's house, but that he is here to say that it is time. He asks them, "Is it time for you to live in your fancy houses while the Lord’s house lies in waste? Consider your ways!" The people are willing to wait for Messiah to raise them to earthly wealth and power but that time has gone and the church they represent lies in waste.

In verse 6, Haggai reminds them that none of what they have done so far has prospered, and then he alternates between telling them to get busy on the Lord’s house and telling them the troubles that will come if they don’t (in verses 7-11). A true church can't be set up with them because they only care about themselves and don’t care about the Lord.

A good thing happens: Haggai's message gets through. The leaders - Zerubbabel and Joshua - listen, and enough of the people are worried enough about the way things were going (as Haggai had said) that work starts on a new rebuilding on the old foundation. (verses 12-14)

Swedenborg

Hlavní výklad ze Swedenborgových prací:

The Inner Meaning of the Prophets and Psalms 231


Další odkazy Swedenborga k této kapitole:

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus 1488, 2606, 3579, 3580, 10325

Leer Over De Heer 48


Odkazy ze Swedenborgových nevydaných prací:

Apocalypse Explained 573

Coronis - Aanhangsel tot Ware Christelijke Religie 56

Jiný komentář

  Příběhy:



Skočit na podobné biblické verše

Deuteronomium 28:38

I Koningen 8:35

2 Koningen 5:26, 8:1, 12:7

1 Kronieken 22:19, 28:20

Ezra 1:5, 2:2, 3:2, 8, 4:24, 5:1, 2

Nehemiah 12:1

Proverbs 11:24

Prediker 3:3

Jesaja 5:10, 8:10

Jeremia 12:13

Klaagliederen 3:40

Hosea 4:10

Haggai 1:1, 15, 2:4, 16, 17, 19

Zacharia 1:1, 3:1, 8:10

Mattheüs 1:23, 28:20

Lucas 12:33

Významy biblických slov

een
A company might have executives setting policy and strategy, engineers designing products, line workers building them, managers handling personnel and others handling various functions. They...

hand
Scientists believe that one of the most crucial developments in the evolution of humans was bipedalism – walking on two legs. That left our hands...

zegt
As with many common verbs, the meaning of “to say” in the Bible is highly dependent on context. Who is speaking? Who is hearing? What...

woont
'Inhabit' refers to good.

Zdroje pro rodiče a učitele

Zde uvedené položky jsou poskytnuty se svolením našich přátel z General Church of the New Jerusalem. Můžete prohledávat/procházet celou knihovnu kliknutím na odkaz this link.


 Rebuilding the Temple
A New Church Bible story explanation for teaching Sunday school. Includes lesson materials for Primary (3-8 years), Junior (9-11 years), Intermediate (12-14 years), Senior (15-17 years) and Adults.
Teaching Support | Ages over 3

 Rebuilding the Temple (3-5 years)
Project | Ages 4 - 6

 Rebuilding the Temple (6-8 years)
Project | Ages 7 - 10

 Rebuilding the Temple (9-11 years)
Project | Ages 11 - 14

 The Lord's House
Worship Talk | Ages 7 - 14


Přeložit: