Ezechiël 18

Studovat vnitřní smysl

Dutch Staten Vertaling         

← Ezechiël 17   Ezechiël 19 →

1 Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

2 Wat is ulieden, dat gij dit spreekwoord gebruikt van het land Israels, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden?

3 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo het ulieden meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israel te gebruiken!

4 Ziet, alle zielen zijn Mijne; gelijk de ziel des vaders, alzo ook de ziel des zoons, zijn Mijne; de ziel, die zondigt, die zal sterven.

5 Wanneer nu iemand rechtvaardig is, en doet recht en gerechtigheid;

6 Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de drekgoden van het huis Israels; noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert;

7 En niemand verdrukt, den schuldenaar zijn pand wedergeeft, geen roof rooft, den hongerige zijn brood geeft, en den naakte met kleding bedekt;

8 Niet geeft op woeker, noch overwinst neemt, zijn hand van onrecht afkeert, waarachtig recht tussen den een en den anderen oefent;

9 In Mijn inzettingen wandelt, en Mijn rechten onderhoudt, om trouwelijk te handelen; die rechtvaardige zal gewisselijk leven, spreekt de Heere HEERE.

10 Heeft hij nu een zoon gewonnen, die een inbreker is, die bloed vergiet, die zijn broeder doet een van deze dingen;

11 En die al die dingen niet doet; maar eet ook op de bergen, en verontreinigt de huisvrouw zijns naasten;

12 Verdrukt den ellendige en den nooddruftige, rooft veel roofs, geeft het pand niet weder, en heft zijn ogen op tot de drekgoden, doet gruwel;

13 Geeft op woeker, en neemt overwinst; zou die leven? Hij zal niet leven, al die gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker gedood worden; zijn bloed zal op hem zijn!

14 Ziet nu, heeft hij een zoon gewonnen, die al de zonden zijn vaders, die hij doet, aanziet, en toeziet, dat hij dergelijke niet doet;

15 Niet eet op de bergen, noch zijn ogen opheft tot de drekgoden van het huis Israels, de huisvrouw zijns naasten niet verontreinigt;

16 En niemand verdrukt, het pand niet behoudt, en geen roof rooft, zijn brood den hongerige geeft, en den naakte met kleding bedekt;

17 Zijn hand van den ellendige afhoudt, geen woeker noch overwinst neemt, Mijn rechten doet, en in Mijn inzettingen wandelt; die zal niet sterven om de ongerechtigheid zijns vaders; hij zal gewisselijk leven.

18 Zijn vader, dewijl hij met onderdrukking onderdrukt heeft, des broeders goed geroofd heeft, en gedaan heeft, dat niet goed was in het midden zijner volken; ziet daar, hij zal sterven in zijn ongerechtigheid.

19 Maar gijlieden zegt: Waarom draagt de zoon niet de ongerechtigheid des vaders? Immers zal de zoon, die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhouden, en die gedaan heeft, gewisselijk leven.

20 De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn.

21 Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.

22 Al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen hem niet gedacht worden; in zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven.

23 Zou Ik enigzins lust hebben aan den dood des goddelozen, spreekt de Heere HEERE; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve?

24 Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven.

25 Nog zegt gijlieden: De weg des HEEREN is niet recht; hoort nu, o huis Israels! is Mijn weg niet recht? Zijn niet uw wegen onrecht?

26 Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, en sterft in dezelve, hij zal in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, sterven.

27 Maar als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, die hij gedaan heeft, en doet recht en gerechtigheid, die zal zijn ziel in het leven behouden;

28 Dewijl hij toeziet, en zich bekeert van al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.

29 Evenwel zegt het huis Israels: De weg des Heeren is niet recht. Zouden Mijn wegen, o huis Israels, niet recht zijn? Zijn niet uw wegen onrecht?

30 Daarom zal Ik u richten, o huis Israels! een ieder naar zijn wegen, spreekt de Heere HEERE, keert weder, en bekeert u van al uw overtredingen, zo zal de ongerechtigheid u niet tot een aanstoot worden.

31 Werpt van u weg al uw overtredingen, waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?

32 Want Ik heb geen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere HEERE; daarom bekeert u en leeft.

← Ezechiël 17   Ezechiël 19 →
   Studovat vnitřní smysl
Swedenborg

Hlavní výklad ze Swedenborgových prací:

The Inner Meaning of the Prophets and Psalms 141


Další odkazy Swedenborga k této kapitole:

De hemelse Verborgenheden die in de Heilige Schrift of het Woord van de Heer 113, 1093, 5433, 5764, 6353, 6563, 8972, ...

Apocalypse Revealed 209, 213, 668

Conjugial Love 487

Leer Over De Heer 49

Leer over de Gewijde Schrift 85

Ware Christelijke Religie 51, 143, 156, 601


References from Swedenborg's unpublished works:

Apocalypse Explained 183, 195, 238, 240, 268, 328, 329, ...

Marriage 51

Jiný komentář

  Příběhy:


Kázání:


Hop to Similar Bible Verses

Exodus 20:5, 22:25, 32:33

Leviticus 18:19, 20, 20:9

Deuteronomium 6:25, 16:19, 23:20, 21, 24:16

II Samuël 14:14

I Koningen 9:4

2 Kings 22:1, 2

2 Chronicles 6:23

Ezra 10:11

Nehemiah 5:10

Job 8:4, 15:13, 34:11

Psalm 18:31, 103:12, 119:3

Proverbs 12:28, 19:3

Jesaja 42:5, 55:7, 57:16, 58:7

Jeremia 3:22, 4:4, 7:3, 5, 18:8, 22:3, 26:3, 31:29, 44:4

Lamentations 5:7

Ezechiël 3:18, 20, 7:3, 8, 11:19, 14:6, 16:49, 18:4, 20, 20:11, 18, 22:9, 33:8, 10, 15, 25, 36:19

Zacharia 1:3, 4, 8:16, 19

Mattheüs 16:27

Lucas 13:3, 5, 15:10

Acts of the Apostles 3:19, 10:35

Romans 2:7, 9, 6:23

Galatians 7

1 Timothy 2:4

2 Peter 20, 3:9

Word/Phrase Explanations

woord
'Word,' as in Psalms 119:6-17, stands for doctrine in general. 'The Word,' as in Psalms 147:18, signifies divine good united with divine truth. 'Word,' as...

vaders
Father in the Word means what is most interior, and in those things that are following the Lord's order, it means what is good. In...

gegeten
When we eat, our bodies break down the food and get from it both energy and materials for building and repairing the body. The process...

tanden
'Teeth' signify the outer edges of the life of the natural self, or the sensory level. This has two kinds, the will, and the understanding....

heere
The Lord, in the simplest terms, is love itself expressed as wisdom itself. In philosophic terms, love is the Lord's substance and wisdom is His...

israel
'Israel,' in Jeremiah 23:8, signifies the spiritual natural church. The children of Israel dispersed all the literal sense of the Word by falsities. 'The children...

zielen
The nature of the soul is a deep and complicated topic, but it can be summarized as "spiritual life," who we are in terms of...

gerechtigheid
'Justice' signifies both good and truth.

bergen
'Hills' signify the good of charity.

ogen
It’s common to say “I see” when we understand something. And indeed, “seeing” in the Bible represents grasping and understanding spiritual things. So it makes...

huis
A "house" is essentially a container - for a person, for a family, for several families or even for a large group with shared interests...

vrouw
The Hebrew of the Old Testament has six different common words which are generally translated as "wife," which largely overlap but have different nuances. Swedenborg...

brood
Just as natural food feeds the natural body, so spiritual food feeds the spiritual body. And since our spiritual body is the expression of what...

hand
Scientists believe that one of the most crucial developments in the evolution of humans was bipedalism – walking on two legs. That left our hands...

wandelt
To walk in the Bible represents living, and usually means living according to the true things taught to us by the Lord -- to "walk...

rechtvaardige
He is said to be 'just' in a spiritual sense, who lives according to divine laws. They on the right hand being called 'just,' as...

een
A company might have executives setting policy and strategy, engineers designing products, line workers building them, managers handling personnel and others handling various functions. They...

zoon
'A son,' as in Genesis 5:28, signifies the rise of a new church. 'Son,' as in Genesis 24:3, signifies the Lord’s rationality regarding good. 'A...

bloed
Bloods signify evil, in Ezek. 16:9.

onderdrukking
'Oppression' signifies destruction of truth by falsities.

broeders
Brethren (Gen. 27:29) signify the affections of good.

goed
It seems rather circular to say that “good” in the Bible represents good, but in a general sense it’s true! The case is this: The...

midden
'Middle' denotes what is primary, principal, or inmost.

zegt
As with many common verbs, the meaning of “to say” in the Bible is highly dependent on context. Who is speaking? Who is hearing? What...

ongerechtigheid
Punishment' is the consummation of evil, because after punishment, reformation succeeds. This is why it says in Deuteronomy 25:3, 'that no more than forty stripes...

goddelozen
Swedenborg several times associates the “wicked” with “malevolence,” defines “malevolence” as “destroying good, interior and exterior,” and says that the wicked do this by disowning...

dood
Dead (Gen. 23:8) signifies night, in respect to the goodnesses and truths of faith.

weg
These days we tend to think of "roads" as smooth swaths of pavement, and judge them by how fast we can drive cars on them....

hoort
'To hearken to father and mother,' as mentioned in Genesis 28:7, signifies obedience from affection. 'To hearken,' as mentioned in Genesis 30:22, signifies providence. See...

overtreden
In the Word three terms are used to mean bad things that are done. These three are transgression, iniquity, and sin, and they are here...

hart
The heart means love. A good heart means love to the Lord and to the neighbor while a hard or stony heart means the love...


Přeložit: