Lamentations 2

Study the Inner Meaning

Dutch Staten Vertaling         

← Lamentations 1   Lamentations 3 →

1 Aleph. Hoe heeft de Heere de dochter Sions in Zijn toorn bewolkt? Hij heeft de heerlijkheid van Israel van den hemel op de aarde nedergeworpen; en Hij heeft aan de voetbank Zijner voeten niet gedacht in den dag Zijns toorns.

2 Beth. De Heere heeft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft de vastigheden der dochter van Juda afgebroken in Zijn verbolgenheid, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en deszelfs vorsten ontheiligd.

3 Gimel. Hij heeft, in ontsteking des toorns, den gehelen hoorn Israels afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert.

4 Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand; Hij heeft zich met Zijn rechterhand gesteld als een tegenpartijder, dat Hij doodde al de begeerlijke dingen der ogen; Hij heeft Zijn grimmigheid in de tent der dochter Sions uitgestort als een vuur.

5 He. De Heere is geworden als een vijand; Hij heeft Israel verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden. Hij heeft deszelfs vastigheden verdorven; en Hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd.

6 Vau. En Hij heeft Zijn hut met geweld afgerukt, als een hof, Hij heeft Zijn vergaderplaats verdorven; de HEERE heeft in Sion doen vergeten den hoogtijd en den sabbat, en Hij heeft in de gramschap Zijns toorns den koning en den priester smadelijk verworpen.

7 Zain. De Heere heeft Zijn altaar verstoten. Hij heeft Zijn heiligdom te niet gedaan, Hij heeft de muren harer paleizen in des vijands hand overgegeven; zij hebben in het huis des HEEREN een stem verheven als op den dag eens gezetten hoogtijds.

8 Cheth. De HEERE heeft gedacht te verderven den muur der dochter Sions; Hij heeft het richtsnoer daarover getogen, Hij heeft Zijn hand niet afgewend, dat Hij ze niet verslonde; en Hij heeft den voormuur en den muur te zamen treurig gemaakt, zij zijn verzwakt.

9 Teth. Haar poorten zijn in de aarde verzonken; Hij heeft haar grendelen verdorven en gebroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen; er is geen wet; haar profeten vinden ook geen gezicht van den HEERE.

10 Jod. De oudsten der dochter Sions zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen.

11 Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk der dochter mijns volks; omdat het kind en de zuigeling op de straten der stad in onmacht zinken;

12 Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten der stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in den schoot hunner moeders.

13 Mem. Wat getuigen zal ik u brengen, wat zal ik bij u vergelijken, gij dochter Jeruzalems? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, gij jonkvrouw, dochter Sions, want uw breuk is zo groot als de zee, wie kan u helen?

14 Nun. Uw profeten hebben u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en uitstotingen.

15 Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter Jeruzalems, zeggende: Is dit die stad, waar men van zeide, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde der ganse aarde?

16 Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.

17 Ain. De HEERE heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft den vijand over u verblijd, Hij heeft den hoorn uwer tegenpartijders verhoogd.

18 Tsade. Hun hart schreeuwde tot den Heere: O gij muur der dochter Sions, laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek; geef uzelve geen rust, uw oogappel houde niet op!

19 Koph. Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uwer kinderkens, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.

20 Resch. Zie, HEERE, aanschouw toch, aan wien Gij alzo gedaan hebt; zullen dan de vrouwen haar vrucht eten, de kinderkens, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom des Heeren gedood worden?

21 Schin. De jongen en de ouden liggen op de aarde op de straten; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn door het zwaard gevallen; Gij hebt ze in den dag Uws toorns gedood, Gij hebt ze geslacht en niet verschoond.

22 Thau. Gij hebt mijn verschrikkingen van rondom geroepen, als tot een dag eens gezetten hoogtijds; en er is niemand aan den dag des toorns des HEEREN ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgebracht.

← Lamentations 1   Lamentations 3 →
   Study the Inner Meaning
From Swedenborg's Works

Main explanations:

The Inner Meaning of the Prophets and Psalms 120


Other references to this chapter:

De hemelse Verborgenheden die in de Heilige Schrift of het Woord van de Heer 402, 414, 921, 1071, 1460, 2015, 2162, ...

Apocalypse Revealed 20, 49, 158, 166, 270, 285, 299, ...


References from Swedenborg's unpublished works:

Apocalypse Explained 31, 69, 187, 195, 204, 304, 315, ...

Scriptural Confirmations 9, 78

Other New Christian Commentary

  Stories and their meanings:


  Bible Study Videos:


Hop to Similar Bible Verses

Leviticus 26:17, 31

Deuteronomium 28:15, 36, 52, 63, 32:22

I Samuël 4:21, 22, 7:6, 28:6, 16

I Koningen 9:7, 8, 9

2 Kings 21:13, 25:7, 9

1 Chronicles 28:2

2 Chronicles 15:3, 34:25, 36:17

Nehemiah 1:3

Job 2:12, 13, 19:11

Psalm 7:13, 35:21, 25, 44:15, 48:3, 50:2, 74:4, 7, 9, 11, 89:40, 41, 43, 45, 132:7, 142:3

Jesaja 3:26, 5:5, 6, 9:15, 15:3, 22:5, 24:12, 51:20, 63:10, 64:9

Jeremia 4:26, 27, 31, 5:31, 6:25, 7:20, 9:18, 20, 14:17, 18, 19, 19:8, 9, 15, 21:5, 7, 26:6, 27:10, 14, 28:15, 29:8, 9, 30:12, 13, 14, 15, 40:3, 42:18, 45:4, 51:22, 34, 52:11, 13, 14

Lamentations 1:2, 3, 4, 5, 11, 12, 13, 15, 16, 20, 21, 3:43, 44, 46, 4:4, 10, 11, 13, 16

Ezechiël 5:10, 11, 15, 7:14, 26, 9:7, 13:13, 22, 16:13, 14, 23:32, 24:21

Daniël 9:12, 16

Hosea 3:4, 9:12, 13

Micha 1:16, 2:11, 3:5, 4:11

Nahum 1:6, 3:19

Zefanja 1:2, 3:18

Mattheüs 5:34, 35

Apocalyps 6:17

Word/Phrase Explanations

toorn
'Toorn', zoals in Genesis 49: 7, betekent afkeer van de waarheid. 'Grote toorn', zoals in Openbaring 00:12, betekent haat tegen de nieuwe kerk.

hemel
"Heaven" and "heavens" are used many times in the Bible, with a couple of variations of meaning. Sometimes it is relatively literal, including times when...

aarde
"Earth" in the Bible can mean a person or a group of like-minded people as in a church. But it refers specifically to the external...

dag
"Day" describes a state in which we are turned toward the Lord, and are receiving light (which is truth) and heat (which is a desire...

vijand
An enemy in the Bible refers to people who are in the love of evil and the false thinking that springs from evil. On a...

Jakob
Jacob is told twice that his name will now be Israel. The first time is when he wrestles with an angel on his journey to...

ogen
It’s common to say “I see” when we understand something. And indeed, “seeing” in the Bible represents grasping and understanding spiritual things. So it makes...

koning
The human mind is composed of two parts, a will and an understanding, a seat of loves and affections, and a seat of wisdom and...

altaar
The first altar mentioned in the Word was built by Noah after he came out of the ark. On that altar, he sacrificed clean animals...

huis
A "house" is essentially a container - for a person, for a family, for several families or even for a large group with shared interests...

heidenen
'The time of the heathen,' as mentioned in Ezekiel 30:3, signifies the heathen, or wickedness.

ongerechtigheid
In the Word three terms are used to mean bad things that are done. These three are transgression, iniquity, and sin, and they are here...

zeide
As with many common verbs, the meaning of “to say” in the Bible is highly dependent on context. Who is speaking? Who is hearing? What...

schoonheid
Beauty of his ornament (Ezek. 7:20) signifies the church and its doctrine.

nacht
The sun in the Bible represents the Lord, with its heat representing His love and its light representing His wisdom. “Daytime,” then, represents a state...


Translate: