Ezechiël 39

Study the Inner Meaning

Dutch Staten Vertaling         

← Ezechiël 38   Ezechiël 40 →

1 Voorts, gij mensenkind! profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal!

2 En Ik zal u omwenden, en een zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen Israels.

3 Maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.

4 Op de bergen Israels zult gij vallen, gij en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan het gevogelte van allen vleugel, en aan het gedierte des velds ter spijze gegeven.

5 Op het open veld zult gij vallen; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.

6 En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in de eilanden zeker wonen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.

7 En Ik zal Mijn heiligen Naam in het midden van Mijn volk Israel bekend maken, en zal Mijn heiligen Naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israel.

8 Ziet, het komt en zal geschieden, spreekt de Heere HEERE; dit is de dag, van welken Ik gesproken heb.

9 En de inwoners der steden Israels zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren;

10 Zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen beroven degenen, die hen beroofd hadden, en plunderen, die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere HEERE.

11 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar een grafstede in Israel zal geven, het dal der doorgangers naar het oosten der zee; en datzelve zal den doorgangers den neus stoppen; en aldaar zullen zij begraven Gog en zijn ganse menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte.

12 Het huis Israels nu zal hen begraven, om het land te reinigen, zeven maanden lang.

13 Ja, al het volk des lands zal begraven, en het zal hun tot een naam zijn, ten dage als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere HEERE.

14 Ook zullen zij mannen uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen, die op den aardbodem zijn overgelaten, om dien te reinigen; ten einde van zeven maanden zullen zij onderzoek doen.

15 En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij oprichten; totdat de doodgravers hetzelve zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte.

16 Ook zo zal de naam der stad Hamona zijn. Alzo zullen zij het land reinigen.

17 Gij dan, mensenkind! zo zegt de Heere HEERE: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte des velds: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israels, en eet vlees, en drink bloed.

18 Het vlees der helden zult gij eten, en het bloed van de vorsten der aarde drinken; der rammen, der lammeren, en bokken, en varren, die altemaal gemesten van Basan zijn.

19 En gij zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe; van Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb.

20 En gij zult verzadigd worden aan Mijn tafel van rij paarden en wagen paarden, van helden en alle krijgslieden, spreekt de Heere HEERE.

21 En Ik zal Mijn eer zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en Mijn hand, die Ik aan hen gelegd heb.

22 En die van het huis Israels zullen weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, van dien dag af en voortaan.

23 En de heidenen zullen weten, dat die van het huis Israels gevankelijk zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand hunner wederpartijders, zodat zij altemaal door het zwaard gevallen zijn;

24 Naar hun onreinigheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.

25 Daarom zo zegt de Heere HEERE: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israels, en Ik zal ijveren over Mijn heiligen Naam;

26 Als zij hun schande zullen gedragen hebben, en al hun overtreding, met dewelke zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was, die hen verschrikte.

27 Als Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen;

28 Dan zullen zij weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, dewijl Ik ze gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weder verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten.

29 En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis Israels zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere HEERE.

← Ezechiël 38   Ezechiël 40 →
   Study the Inner Meaning
From Swedenborg's Works

Main explanations:

Apocalypse Revealed 859

The Inner Meaning of the Prophets and Psalms 162


Other references to this chapter:

De hemelse Verborgenheden die in de Heilige Schrift of het Woord van de Heer 728, 737, 778, 988, 1151, 1292, 2686, ...

Apocalypse Revealed 10, 216, 298, 299, 379, 436, 437, ...

Leer Over De Heer 4, 28

Leer over de Gewijde Schrift 15

Ware Christelijke Religie 705, 706

Over het Nieuwe Jeruzalem en haar Hemelse Leer 222


References from Swedenborg's unpublished works:

Apocalypse Explained 257, 329, 342, 355, 357, 388, 406, ...

Coronis (An Appendix to True Christian Religion) 3

The White Horse - Appendix 1

Scriptural Confirmations 4, 53

Other New Christian Commentary

  Stories and their meanings:


Hop to Similar Bible Verses

Numeri 19:11, 14, 16

Deuteronomium 30:3, 31:17, 18

Ezra 9:7

Psalm 46:10, 76:4, 94:10

Jesaja 14:1, 24:21, 34:6, 7, 37:20, 46:10, 54:8, 59:2, 21

Jeremia 29:14, 32:37, 46:10

Lamentations 1:8

Ezechiël 15:8, 20:27, 41, 28:22, 29:5, 32:4, 33:33, 34:25, 27, 36:18, 21, 22, 26, 27, 37:21, 38:1

Joël 2:27, 3:1

Amos 9:9

Micha 7:19

Zefanja 1:7

Zacharia 12:10, 14:14

Maleachi 1:5

Romans 11:26

Apocalyps 19:17, 18, 20:9

Word/Phrase Explanations

velds
When we have a desire to be good people and to do good things, the natural first questions are "What does that mean?" "What should...

midden
'Middle' denotes what is primary, principal, or inmost.

heidenen
'The time of the heathen,' as mentioned in Ezekiel 30:3, signifies the heathen, or wickedness.

dag
"Day" describes a state in which we are turned toward the Lord, and are receiving light (which is truth) and heat (which is a desire...

huis
A "house" is essentially a container - for a person, for a family, for several families or even for a large group with shared interests...

aarde
"Earth" in the Bible can mean a person or a group of like-minded people as in a church. But it refers specifically to the external...

tafel
Food and drink in the Bible represent the desire to be loving and the understanding of how to be loving, gifts that flow from the...

God
The Lord is love itself, expressed in the form of wisdom itself. Love, then, is His essence, His inmost. Wisdom - the loving understanding of...

ongerechtigheid
In the Word three terms are used to mean bad things that are done. These three are transgression, iniquity, and sin, and they are here...

onreinigheid
Uncleanness and scum, as in Ezekiel 24:11, signifies evil and falsity.

vijanden
An enemy in the Bible refers to people who are in the love of evil and the false thinking that springs from evil. On a...

ogen
It’s common to say “I see” when we understand something. And indeed, “seeing” in the Bible represents grasping and understanding spiritual things. So it makes...


Translate: