Ware Christelijke Religie #11

От Емануел Сведенборг

Проучете този пасаж

  
/ 853  
  

11. IV. De natiën en volken zijn van elkaar afgeweken en wijken van elkaar af ten aanzien van de hoedanigheid van deze ene God vanuit verschillende oorzaken. De eerste oorzaak is deze: dat de kennis van God en de daaruit voortvloeiende erkenning, niet mogelijk is zonder openbaring, en dat er geen kennis over de Heer en vandaar erkenning is, ‘dat in Hem de gehele volheid van de Goddelijkheid lichamelijk woont’ dan vanuit het Woord, dat de kroon van de openbaringen is. Want de mens kan vanuit de gegeven openbaring God tegemoet gaan en de invloeiing opnemen, en op die wijze van natuurlijk geestelijk worden. Er was een oeropenbaring over de gehele aarde verbreid, en de natuurlijke mens heeft die op velerlei wijze verdraaid, waaruit meningsverschillen, onenigheden, ketterijen en scheuringen van de godsdiensten voortkwamen. De tweede oorzaak is deze: dat de natuurlijke mens niets over God, maar alleen iets over de wereld gewaarwordt en dit op zichzelf kan toepassen; daarom behoort het tot de geloofsregels van de Christelijke Kerk, dat de natuurlijke mens tegenover de geestelijke mens staat en dat zij met elkaar strijden. Vandaar komt het, dat zij die vanuit het Woord, of vanuit een andere openbaring, erkend hebben dat er een God is, over de hoedanigheid van God en over Zijn eenheid, van elkaar zijn afgeweken en afwijken. Daarom vormden diegenen, van wie de blik van het gemoed afhankelijk was van de zinnen van het lichaam en toch God wilden zien, zich nabootsingen van goud, zilver, steen en hout maakten, opdat ze onder die vorm, als zichtbare voorwerpen, God zouden kunnen aanbidden; en dat anderen, die vanuit godsdienst de nabootsingen verwierpen, voor zich over God beelden verzonnen vanuit de zon en de maan en de sterren en vanuit verschillende andere dingen op aarde. Maar zij die zich voor wijzer hielden dan het gewone volk en toch natuurlijk waren gebleven, erkenden, vanuit de onmetelijkheid en de alomtegenwoordigheid van God bij het scheppen van de wereld, de natuur als God; sommigen de natuur in haar binnenste dingen en sommigen de natuur in haar laatste dingen; en sommigen dachten, om God van de natuur te scheiden, iets meest universeels uit, dat zij het opperwezen noemden, en aangezien zij verder niets over God weten, wordt dit wezen bij hen tot iets abstracts, dat geen betekenis heeft. Wie kan niet begrijpen dat de kennis ten aanzien van God zijn spiegel van God is, en dat degenen die niets over God weten, God niet zien in een naar de ogen toegekeerde spiegel, maar in een omgekeerde spiegel of aan de achterkant, die met kwikzilver of zwarte coating is bedekt en het beeld niet terugkaatst maar uitdooft. Het geloof in God treedt de mens binnen door een eerdere weg, die uit de ziel in de hogere gebieden van het verstand leidt; terwijl de erkentenissen over God binnentreden door een latere weg, omdat die uit het verstand, vanuit het geopenbaarde Woord, worden geput door de zinnen van het lichaam; en in het verstand middenin vindt de samenkomst van invloeiingen plaats, en daar wordt het natuurlijke geloof, dat slechts een overreding is, geestelijk geloof, dat de erkenning zelf is; vandaar is het menselijk verstand als het ware een bank waar men geld kan omwisselen, en waarin dan de omwisseling plaatsvindt.

  
/ 853  
  

Swedenborg Boekhuis Baarle Nassau, Netherlands Nederlandse vertaling door Henk Weevers 2010. Link markup by NCBSP.