Hemel en Hel #558

От Емануел Сведенборг

Проучете този пасаж

  
/ 603  
  

558. Bovendien wordt iemand, voor zover hij in hemelse liefde is, die bestaat in het liefhebben van nut en van het goede en in het aangedaan worden met vreugde van het hart in het verrichten hiervan terwille van de kerk, het vaderland, de menselijke maatschappij en de medeburger, in zoverre ook door de Heer geleid, omdat die liefde de liefde is waarin hij verkeert en die van Hem afkomstig is. Maar in zoverre als iemand in de liefde voor zichzelf is, welke liefde bestaat in het verrichten van nut en goede dingen terwille van zichzelf en voor zover iemand door zichzelf geleid wordt, wordt hij niet door de Heer geleid. Hieruit volgt eveneens dat voor zover iemand zichzelf liefheeft, hij zich van het Goddelijke en dus ook van de hemel verwijdert. Door zichzelf geleid worden is geleid worden door het eigene in zich en het eigene van de mens is niets anders dan kwaad. Want het is zijn erfelijk kwaad, dat bestaat uit het zichzelf liefhebben boven God en de wereld boven de hemel. De mens wordt in zijn eigenlijke natuur en dus in zijn erfelijke boosheden toegelaten, telkens wanneer hij zich beschouwt in de goede dingen die hij doet, want hij ziet van de goede dingen naar zichzelf en niet van zichzelf naar de goede dingen en daardoor maakt hij in het goede een beeld van zichzelf en niet van het Goddelijke. Dat dit zo is, werd mij ook door ervaring bevestigd. Er zijn kwade geesten van wie de woningen zich bevinden in het middelste kwartier tussen het noorden en het westen onder de hemelen, en die de kunst verstaan om rechtschapen geesten in hun eigene en zodoende in allerlei boosheden toe te laten. Zij doen dit door hen toe te laten in gedichten omtrent zichzelf, hetzij openlijk door loftuitingen en eerbewijzen, hetzij heimelijk door hun genegenheden naar henzelf te keren; en voor zover zij dit verrichten, voor zover wenden zij ook de gezichten van de rechtschapen geesten van de hemel af, verduisteren hun verstand en brengen de boosheden van hun eigenlijke natuur te voorschijn.558b. Dat de eigenliefde aan de naastenliefde tegenovergesteld is, kan gezien worden uit de oorsprong en het wezen van beide. De naastenliefde bij degene die in liefde voor zichzelf is, begint bij hemzelf, want het wordt gezegd dat ieder zichzelf het naast is, en gaat voort van hem als middelpunt naar allen die één met hem maken, met een vermindering volgens de graden van samenvoeging met hem door liefde. Allen die buiten deze kring staan, worden van geen waarde geacht, en zij die er tegen gericht zijn en tegen de boosheden van de leden ervan, worden als vijanden beschouwd, hoedanig hun karakter ook mag zijn, en hoe wijs, braaf, oprecht of rechtvaardig zij ook zijn. Maar Geestelijke liefde jegens de naaste begint bij de Heer en gaat uit van Hem als van een middelpunt naar allen die met Hem verbonden zijn door liefde en geloof, en gaat voort volgens de hoedanigheid van hun geloof en hun liefde. Hieruit blijkt dat de naastenliefde beginnende bij de mens, tegenovergesteld is aan de naastenliefde die uit de Heer begint, en dat gene voortschrijdt tot het kwaad, omdat zij uit het eigene in de mens komt, en deze tot het goede, daar zij van de Heer komt, die het goede zelf is. Het is eveneens duidelijk dat de naastenliefde die van de mens en het eigene in hem komt, lichamelijk is, maar dat de naastenliefde die van de Heer komt hemels is. Kortom, de liefde voor zichzelf maakt het hoofd van de mens waarin zij is, en hemelse liefde maakt voor hem de voeten. Hierop staat hij, en wanneer het hem niet dient, treedt hij het met voeten. Vandaar schijnt het dat zij die in de hel geworpen worden, het hoofd omlaag naar de hel en de voeten omhoog naar de hemel gericht hebben (zie nr. 548).

  
/ 603  
  

Thanks to the Swedenborg Boekhuis NL and Guus Janssens for their permission to use this translation.