Apocalyps Onthuld #153

От Емануел Сведенборг

Проучете този пасаж

  
/ 962  
  

153. Ik zal nu iets gedenkwaardigs aan het voorgaande toevoegen met betrekking tot het lot van diegenen na het overlijden, die zich in het geloof-alleen tot aan de rechtvaardigmaking toe, zowel naar de leer als naar het leven, hebben bevestigd.

1. Wanneer zij overleden zijn en ten aanzien van de geest herleven, wat gewoonlijk op de derde dag plaatsvindt nadat het hart heeft opgehouden te kloppen, verschijnen zij aan zichzelf in een eender lichaam als waarin zij eerder in de wereld waren, en wel zodanig dat zij niet anders weten dan dat zij in de vorige wereld leven; zij zijn echter niet in een stoffelijk lichaam maar in een geestelijk lichaam, dat voor hun zinnen, die ook geestelijk zijn, zoals stoffelijk verschijnt, hoewel het dit niet is.

2. Na enige dagen zien zij dat ze in een wereld zijn, waar verschillende gezelschappen zijn ingesteld en die de wereld der geesten wordt genoemd en midden tussen de hemel en de hel is; alle gezelschappen daar, die ontelbaar zijn, zijn op wonderbaarlijke wijze geordend volgens de natuurlijke aandoeningen, de goede zowel als de boze; de gezelschappen die geordend zijn volgens de goede natuurlijke aandoeningen, hebben verbinding met de hemel en de gezelschappen die geordend zijn volgens de boze aandoeningen hebben verbinding met de hel.

3. De nieuweling-geest of de geestelijke mens, wordt begeleid en overgebracht naar verschillende gezelschappen, zowel goede als boze, en hij wordt ernaar onderzocht of hij door ware dingen wordt aangedaan, en hoe, dan wel of hij door valse dingen wordt aangedaan, en hoe.

4. Indien hij door ware dingen wordt aangedaan, wordt hij weggeleid uit de boze gezelschappen en binnengeleid in de goede gezelschappen, en daar eveneens in verschillende, totdat hij in het gezelschap komt dat met zijn natuurlijke aandoening overeenstemt; en daar geniet hij het goede dat met die aandoening overeenkomt, en dit gaat zo door totdat hij de natuurlijke aandoening aflegt en de geestelijke aantrekt, en dan wordt hij tot de hemel verheven. Echter, dit vindt alleen plaats met hen die in de wereld het leven van de naastenliefde en zo eveneens het leven van het geloof hebben geleefd, welk leven is dat zij in de Heer hebben geloofd en de boze dingen als zonden hebben geschuwd.

5. Maar zij die zich in het geloof zelfs tot aan de rechtvaardigmaking toe, en dat geloof-alleen naar leer en leven hebben bevestigd, worden, omdat zij niet door de ware dingen, maar door valse dingen worden aangedaan, en omdat zij de goede dingen van de naastenliefde, dus de goede werken, uit het midden van het heil hebben verworpen, weggeleid uit de goede gezelschappen en binnengeleid in de boze gezelschappen, en eveneens in verschillende, totdat zij komen in een gezelschap dat met de begeerten van hun liefden overeenstemt; want wie de valse dingen liefheeft, kan niet anders dan de boze dingen liefhebben.

6. Maar omdat zij in de wereld goede aandoeningen in de uiterlijke dingen hebben geveinsd, hoewel er in hun innerlijke dingen niet dan boze aandoeningen of begeerten waren, worden zij eerst bij beurten in de uiterlijke dingen gehouden en zij, die in de wereld over gezelschappen hadden gestaan, worden hier en daar in de wereld der geesten over gezelschappen aangesteld, in het geheel of voor een deel volgens de omvang van de ambten die zij hadden bekleed, maar omdat zij het ware niet liefhebben, noch rechtvaardigheid, noch verlicht kunnen worden totdat zij weten wat waar en rechtvaardig is, worden zij daarom na enige dagen afgezet.

Ik heb gezien hoe dezen werden overgebracht van het ene gezelschap naar het andere, en overal aan hen een bestuurspost werd gegeven, maar hoe zij na korte tijd telkens weer werden afgezet.

7. Na herhaald te zijn afgedankt willen sommigen uit verveling, en durven anderen uit vrees voor het verlies van de goede naam, niet langer naar functies te dingen en daarom trekken zij zich terug en zitten er dan treurig bij; daarna worden zij weggeleid naar een eenzame plaats waar hutten staan die zij binnengaan; daar wordt hun enig werk te doen gegeven en naar gelang zij dat doen, ontvangen zij te eten, en indien zij het niet doen, lijden zij honger en ontvangen niets; daarom dwingt de noodzaak hen.

Voedsel daar is eender aan de spijzen in onze wereld, maar ze zijn vanuit geestelijke oorsprong en worden vanuit de hemel uit de Heer gegeven aan allen volgens de nutten die zij doen; aan de luiaards wordt het niet gegeven, omdat zij onnuttig zijn.

8. Na enige tijd walgen zij van het werk en gaan dan de hutten uit; en als zij priesters zijn geweest, willen zij bouwen; terstond verschijnen er dan stapels gehouwen stenen, tegels, latten en planken van hout, verder ook stapels riet en biezen, leem, kalk en pek; wanneer zij dit zien, ontbrandt in hen de lust tot bouwen en beginnen dan een huis te bouwen, door nu eens steen, dan weer hout, dan weer riet en dan weer klei te nemen; en zij leggen het ene ongeordend op het andere, maar in hun eigen ogen geordend.

Maar wat zij overdag bouwen, zakt ‘s nachts in elkaar; en de volgende dag halen zij de in elkaar gezakte rommel uit de puinhopen en bouwen weer opnieuw, en dit net zolang tot het hen verveelt.

De oorzaak dat dit gebeurt is, omdat zij valse dingen op elkaar hebben gestapeld om de zaliging door het geloof-alleen te bevestigen en die valsheden bouwen de Kerk niet op een andere wijze op.

9. Daarna gaan zij uit verveling weg en zitten eenzaam niets te doen; en omdat aan luiaards geen voedsel vanuit de hemel wordt gegeven, zoals gezegd, beginnen zij honger te lijden en aan niets anders te denken dan hoe aan voedsel te komen en de honger te stillen.

Wanneer zij in deze staat zijn komen er enigen tot hen aan wie zij een aalmoes vragen, en dezen zeggen dan tegen hen:

‘Waarom zit u hier zo niets te doen? Komt met ons mee in onze huizen, en wij zullen u werk te doen geven en eten geven’; dan staan zij blij op en gaan met hen mee naar hun huizen, en daar wordt aan eenieder zijn werk gegeven en wordt voor het werk te eten gegeven.

Maar omdat allen die zich in de valse dingen van het geloof bevestigd hebben, geen werken van goed nut, maar alleen van boos nut kunnen doen, doen zij die werken ook niet getrouw, maar alleen voor de schijn ter wille van eer of gewin; daarom verlaten zij hun werken en houden er slechts van om zich met anderen te onderhouden, te spreken, te wandelen en om te slapen en dan worden zij, omdat ze door hun meesters niet langer aan het werk gezet kunnen worden, daarom als onnuttigen uitgeworpen.

10. Wanneer zij uitgeworpen zijn, worden hun ogen geopend en zien zij een weg die naar een bepaalde grot voert.

Wanneer zij daar zijn aangekomen, wordt een deur geopend en gaan zij naar binnen en vragen of daar te eten is en wanneer geantwoord wordt dat daar voedsel is, verzoeken ze daar te mogen blijven; en er wordt gezegd dat dit mag en dan worden zij binnengeleid en achter hen wordt de deur gesloten.

Dan komt de opzichter van de grot en zegt tegen hen:

‘U kunt hier niet meer uitgaan; ziet uw metgezellen; iedereen arbeidt; en al naar zij arbeid verrichten, wordt aan hen voedsel vanuit de hemel gegeven; dit zeg ik u, opdat u dit weet.

De metgezellen zeggen eveneens:

‘Onze opzichter weet voor welk werk eenieder geschikt is en legt aan allen dagelijks een zodanig werk op; op de dag dat u het afheeft, wordt u te eten gegeven, en indien het niet af is, wordt geen spijs gegeven, noch kleding; en indien iemand een ander boos doet, wordt hij naar een hoek van de grot geworpen, op een zeker bed van verdoemde stof, waar hij jammerlijk wordt gemarteld en dit net zolang tot de opzichter een teken van berouw bij hem ziet; dan wordt hij daaruit gehaald en wordt hem bevolen zijn werk te doen.

Er wordt hem ook gezegd dat het aan eenieder is geoorloofd om na zijn werk te wandelen, te praten en daarna te slapen; en hij wordt dieper de grot ingebracht, waar hoeren zijn, uit wie eenieder er zich een tot vrouw mag nemen, en het is bij straf verboden met elkaars hoeren te hoereren; uit zulke grotten, die niets anders zijn dan eeuwige tuchthuizen, bestaat de gehele hel.

Het werd mij gegeven er enige binnen te gaan en rond te zien, met het doel dat ik het bekend zou maken; allen daar verschenen als minderwaardigen en ook wist geen van hen wie en in welk ambt hij in de wereld was geweest.

De engel die bij mij was, zei mij dat deze in de wereld een bediende was geweest, deze een soldaat, deze een officier, deze een priester, deze een grootwaardigheidsbekleder, deze in rijkdom was geweest en toch weten allen niet anders dan dat zij slaven en kornuiten van een zelfde slag zijn.

De oorzaak hiervan was, dat zij innerlijk eender zijn geweest, hoewel uiterlijk verschillend; en de innerlijke dingen vergezelschappen allen in de geestelijke wereld.

Zodanig is het lot van hen die het leven van de naastenliefde hebben verwijderd en vandaar dit in de wereld niet hebben geleefd.

Wat de hellen in het algemeen betreft, deze bestaan uit louter zulke grotten en tuchthuizen, maar andere waar de satans zijn en andere waar de duivels zijn.

Satans zijn zij die in valse dingen en vandaaruit in boze dingen zijn geweest en duivels zijn zij die in boze dingen en vandaaruit in valse dingen zijn geweest.

De satans verschijnen in het licht van de hemel zoals lijken en sommigen zwart als mummies en de duivels verschijnen in het licht van de hemel donkervurig en sommigen zwart als roet; maar allen, wat de aangezichten en de lichamen betreft, verschijnen monsterachtig; maar in hun eigen licht, dat gelijk is aan het licht van vurige kolen, verschijnen zij niet als monsters maar als mensen; dit is hun gegeven opdat zij in een gezelschap kunnen zijn.

  
/ 962  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl